Uitgelicht: het Panorama van Nerja (1)

Er kunnen veel motieven zijn om te reizen als niets of niemand je daartoe dwingt. Je kunt reizen uit innerlijke onrust, om te ontsnappen aan de verveling van het alledaagse, om andere mensen te ontmoeten, andere culturen te leren kennen, andere steden, andere landschappen. Je kunt reizen om eens lekker exotisch te eten en te drinken. Om te genieten van een ander, zonniger klimaat. Uit zucht naar avontuur, om nieuwe ervaringen op te doen, confrontaties aan te gaan. Om iets te leren, over de wereld om je heen en over jezelf. En natuurlijk kunnen je motieven ook een individuele mix zijn van dat alles.

Ik reis hier vooral uit nieuwsgierigheid en om te kijken. Kijken en zien, leren en weten – ervaren.

De weg van Granada naar de kust voert in zuidelijke richting, langs de westelijke voet van de Sierra Nevada, door de Lecrin vallei – een pasillo in het zuidelijkste deel van de Cordilleras Béticas: de Cordillera Penibética. Dit gebergte strekt zich uit langs de kust, in een grote boog van Cádiz naar Cartagena en Murcia, om zich verder onder zee naar de Balearen voort te zetten. De bergketens vormen geen doorlopende barrière, maar zijn hier en daar onderbroken; de Lecrin-vallei waar we nu doorheen rijden is een van de doorgangen. De hemel deze donderdagochtend is helder blauw; alleen boven de toppen van de Sierra Nevada drijven wat wolken.

Zeventien steden en dorpen liggen verspreid in de vallei, waaronder  twee iets grotere stadjes, Dúrcal en Padul, die we nog voor elf uur passeren; maar we stoppen niet. Al van oudsher is dit een landbouwgebied waar citrusvruchten verbouwd worden, olijven, amandelen, druiven. Smeltwater van de Sierra Nevada zorgt voor de irrigatie. Een deel wordt opgevangen in het stuwmeer Embalse de Beznar, waarvan het water hoofdzakelijk wordt geleverd door de Izbor, een zijrivier van de Guadalfeo. Veel van de stuwmeren zijn aangelegd in de tijd van Franco, maar ook enkele van de oudste Europese dammen, al in gebruik sinds de tweede eeuw, liggen in Spanje. Er zijn zo’n twaalfhonderd stuwmeren, waarmee Spanje koploper in Europa is. Droogte is een terugkerend probleem; de woestijn rukt op. Maar hier niet.

Nerja 1.1

Het is een uur of elf als we het punt passeren waar de twee rivieren samenvloeien. Na een sober ontbijt, bestaande uit twee cafés con leche in een cafetaría aan het Plaza Nueva in Granada, heb ik deze ochtend een lokale bus naar het busstation genomen om vervolgens om kwart over tien te vertrekken met de ALSA-bus naar Nerja. Granada vormde een onderbreking van mijn reis langs de kust, zoals Sevilla een alternatieve excursie was aan de Costa de la Luz. Ik luister met een half oor naar muziek en noteer af en toe wat in een notitieboekje.

Ik zie het landschap aan mij voorbij glijden: een continu routepanorama. Ik kijk. Ik zie. – Maar wat? De weg, dorpjes, bergen, water, bomen, het land. Terrassen op een helling, struikgewas, de vangrail, bruggen, het rode pannendak van een huis, een kleine klokkentoren in de verte. Blauwe hemel. En wat niet? Olijfbomen. Want ik weet niet precies hoe ze eruit zien – treurig stemmende constatering. Ze zíjn er wel, meen ik te weten, misschien heb ik ze wel gezien, maar dan niet bewust. De olijfboom, de olea sativa, de gecultiveerde vorm van de wilde olijfboom, de oleaster, sinds prehistorische tijden aanwezig in het Middellandse Zeegebied. In een brede kuststrook van 25 tot 250 kilometer.

Een eenzaam boompje met kleine witte bloesems in het struikgewas langs de weg valt me op. De blauwe reling van de brug, het turquoise van het water… In hoeverre begrijp ik dit landschap? Begrip, herkenning van een structuur, een patroon, verbetert de waarneming. Ik heb de wolken boven de toppen van de bergen bewust waargenomen, ik zag een afzonderlijk stapeltje van vier lensvormige wolkjes dicht boven elkaar, stratocumulus lenticularis, want ik weet waarom ze daar, in een verder onbewolkte hemel, hangen: vochtige lucht stijgt gedwongen op, koelt af en condenseert. Orografie.

Wat is zien? Het oog is geen camera: het legt geen beelden vast. Een volmaakt instrument is het overigens ook niet. Misschien is ‘zien’ het beste te omschrijven als verzamelnaam voor een serie processen die automatisch en onbewust verlopen. Met fysieke beperkingen, waarbij vanzelf structuren gevormd wordt in de data, op verschillende niveaus, in een complexe samenwerking van ogen, de visuele cortex en andere gebieden in de hersenen, mede geleid door aanwezige kennis, grotendeels onbewust bepaalde relevantie, identificaties van vormen, interpretaties van situaties.

En daaruit doemt tenslotte iets op, waarvan een deel bewaard blijft in het geheugen.

Kijken is de gerichte variant. Kijken naar… Ik kijk naar dit landschap: de bergen, de rivier, de gehuchten, de groene vlakte. Soms verandert het kijken weer in zien, soms verdwijnt het zien om plaats te maken voor mentale beelden of activiteiten. En soms kijk ik de andere kant op.

Ik moet de olijfboom leren herkennen.

Dat reizen per bus zijn charme heeft, ontdekte ik het afgelopen najaar in Dalmatië, waar geen treinen naar het zuidelijk deel rijden. Ook hier rijden geen treinen langs de kust en in Nerja is geen treinstation. Al te snel gaat het niet, de rit duurt twee uur, over een afstand van zo’n honderd kilometer, maar de interlokale bussen hier zijn redelijk comfortabel en je hoeft niet op de weg en het verkeer te letten. Duur is het ook niet en misschien is het wel relatief milieuvriendelijk. Hoewel deze bus niet erg vol zit.

Er wordt niet gestopt voordat bij Salobreña de kust bereikt is. Een nadeel is dan ook dat je niet even kunt stoppen om de flora langs de weg van nabij te bekijken, de geur van het land in te ademen, de wind te voelen op je huid… Alleen maar kijken.

Nerja 1.2

Tegen half twaalf komt de Middellandse Zee in zicht. Costa Tropical, Salobreña. Witte huizen, smalle steile straatjes. Een korte stop, een bejaard Spaans echtpaar stapt in. Een half uurtje later het oude stadje Almuñécar, de eerste grote badplaats, met een geschiedenis die al zo’n drieduizend jaar geleden begon, in de tijd van de Feniciërs. Romeinse geschiedenis, Moorse geschiedenis, Spaanse geschiedenis. Dit is de provincie Málaga, comarca Axarquía.

De kustweg van Almuñecar naar Nerja ligt hoog boven de zee en leidt in westelijke richting, enkele malen door korte tunnels; hier en daar zijn waarschuwingsborden geplaatst voor zijwind. Het uitzicht is aardig. Witte huizen, met platte daken of rode pannendaken, liggen verspreid op de hellingen langs de weg; de afstand tot de zee is slechts een paar honderd meter. Iets verder naar het Noorden ligt de Autovia del Mediterráneo maar de bus volgt de kronkels van deze kustweg.

Het Estación de Autobuses de Nerja bestaat uit niet meer dan twee haltes aan weerszijden van de Avenida Pescia en een klein kaartverkooploket. Het is niet ver naar mijn hotel. Smalle straatjes met witte huizen, balkons met gevlochten smeedijzeren hekwerk. Het kleine hotel, in een van de straatjes in het oude centrum, is royaal voorzien van naamborden, op elk van de twee verdiepingen een bord boven de luifels en twee  uithangborden aan de straat. Het heeft een fraai dakterras, vertelt de eigenares me, als we even later in de receptieruimte zitten. Ze haalt een plattegrond tevoorschijn en geeft daarop aan waar het restaurantje ligt dat ze aanbeveelt, waar de tapasbar zich bevindt die bijzonder goed is. Hoelang ik blijf? Ja, één dag, zoals besproken. Ik kan eventueel langer blijven, zegt ze. Morgen is het een officiële feestdag, de Día de Andalucía, de dag waarop in een referendum in 1980 besloten werd dat Andalucia een autonome regio werd. En deze avond is er ‘carnaval’, vertelt ze, ik moet opletten of de bussen de volgende dag een alternatieve dienstregeling hebben. Ze is enthousiast en spraakzaam. Ik vraag me af wat haar ‘carnaval’ betekent. Ze gaat me voor naar de eerste verdieping. De kamer is groot, goedkoop en heeft uitzicht op een kleine patio met bloemen.

Ik besluit naar het Balcon de Europa te lopen, om het veelgeroemde panorama te aanschouwen. Het is hier merkbaar warmer dan in Granada. Er wandelen relatief veel toeristen rond, constateer ik, Engels sprekend, Frans, Duits, Nederlands. En Spaans, waarschijnlijk. Er schijnt in deze omgeving een heel bataljon Britten te wonen. Een bord in een etalage vermeldt: Foodstore AndaLuz. De Hollandse bakker. Appelkoeken, roggebrood, kokosmelk, lees ik. Achter een tweede raam ligt drop uitgestald, pepermunt. Intussen wil ik wel iets eten, na mijn minieme ontbijt. De Hollandse bakker spreekt Engels spreekt met een duidelijk herkenbaar Nederlands accent. Proces van bewustwording. We wisselen wat Nederlandse woorden. Ik koop vier krentenbollen.

Nerja 1.3

Buiten in de zon wandelend, bijtend in de eerste van de krentenbollen, die half bevroren blijkt te zijn, denk ik na over toerisme. Toerisme is verdacht. Een pejoratief. Natuurlijk ben ik zelf ook een toerist. Wat is een toerist? Iemand die eens ergens anders gaat kijken, buiten zijn gewone omgeving, niet al te lang en niet al te kort, wat er te zien is en daarbij soms door anderen georganiseerde min of meer gestandaardiseerde activiteiten gaat ontplooien. Om zich heen kijkend. Rubbernecking. Soms bereidt de toerist zich een beetje voor, door iets te lezen over de geschiedenis, de cultuur, de natuur van die alternatieve omgeving. Maar wat ziet de toerist? Landmarks.

De Grand Tour, zoals die populair was in vooral de achttiende en negentiende eeuw, maakte deel uit van de opvoeding en was tegelijk een ontsnapping aan de beperkingen van een gereguleerde samenleving. Toch lag de route ook min of meer vast, evenals de plaatsen die bezocht moesten worden. Het gemodelleerde perspectief daarbij was: de klassieke oudheid en de renaissance. Spanje maakte er geen deel van uit – dat werd pas later ontdekt door de Romantici.

Het lijkt niet bepaald aannemelijk dat opvoeding voor toeristen nog een rol speelt. Maar de escapistische component valt nog altijd eenvoudig waar te nemen. Wat willen de jeugdige Costa del Sol-gangers? Zon en een feestje. Zon is hier nagenoeg gegarandeerd, maar alleen zon en strand gaat vervelen en dus willen ze ’s avonds uitgaan, een bar bezoeken, een restaurant, een discotheek. Dat ze daarbij niet verder komen dan het strand en de nachtclubs van Torremolinos, stoort ze niet. De gepensioneerden overwinteren ook in grote getale aan de Spaanse kusten. Reizen doen ze waarschijnlijk verder niet; je ziet ze over de boulevards schuifelen, op de terrassen, in de restaurants.

En dan de reiziger. Dat is veeleer een amelioratief. Wat wil de reiziger? Als we de strikt letterlijke en neutrale betekenis even laten voor wat hij is, zouden we de reiziger in diverse opzichten kunnen onderscheiden van de toerist. Hij is in beweging, steeds op weg en misschien zelfs op zoek naar een vorm van zelfontplooiing. Zijn innerlijk is ook in beweging, hij gaat een diepere relatie aan met de omgeving, hij laat het niet bij oppervlakkig kijken alleen.

En ik? Kijken, lopen en een beetje nadenken. Nieuwsgierigheid bevredigen, ervaring uitbreiden. Ik volg niemand. Mijn route: de kust. Met daarbij af en toe een uitstapje naar het binnenland. Over langere afstanden laat ik mij vervoeren. Ik verblijf in hotels. De Mediterrane zon is prettig, maar daarvoor kom ik niet.

(2014)

Terug aan het IJ

Uitzicht op Het IJ

Mijn aandacht voor de ontwikkelingen rondom het IJ werd, toen ik al anderhalf decennium elders woonde, in eerste instantie getrokken door het fraaie panorama dat je voorgeschoteld krijgt als je op een bus staat te wachten in het busstation aan de IJ-zijde van het station, op de eerste verdieping, boven de kade.

Eye filmmuseum

Nu kom ik kijken wat ervan geworden is. Is de genius loci hetzelfde gebleven? Nieuwe gebouwen zijn opgetrokken langs de oevers, nieuwe, moderne architectuur, nieuwe culturele instellingen; er werden nieuwe activiteiten ontplooid, economisch en cultureel, toeristisch en recreatief; er kwamen nieuwe ponten, nieuwe pontroutes. Er is een heel nieuw waterfront gecreëerd. De oude industrie is verdwenen, het verval is gekeerd,– hier ontwikkelt zich een nieuwe stad.

Pont NDSM-werf

Er is een nieuwe woonomgeving gecreëerd. Achter de IJ-kantine ligt een complex van appartementengebouwen – twee hoge woontorens, een groepje lagere gebouwen in contrasterende kleuren, variërend in hoogte. Staal, baksteen, keramisch materiaal. Roodbruin, saffierblauw en grijstinten, één zelfs in gedurfd rood.

Kraanspoor

Kraanspoor. De voormalige afbouwconstructie voor mammoettankers is zo’n 270 meter lang, 10 meter breed en 14 meter hoog; een enorm bouwwerk. Op de zware, brutalistische onderbouw een constructie die ‘zwevend’ boven het beton is aangebracht, met 4 stijgpunten waar in de oorspronkelijke trappenhuizen nu liften zijn geïnstalleerd. Kantelbare, glazen lamellen aan de buitenkant zorgen voor luchtcirculatie van de dubbele gevel.

Graffiti

Aan de oostzijde van de aanlegsteiger oogt het allemaal heel anders, woester: loodsen, met graffiti bewerkt, – restanten van de vroegere werfindustrie.

Aan de overzijde van de Oude Houthaven, achter de aangemeerde schepen, liggen Silodam en de twee voormalige graansilo’s in het zonnige middaglicht. Vanaf hier zal ik naar het Centraal Station wandelen. Onderweg wil ik IJdock nog bekijken, het Paleis van Justitie. Morgen ga ik KNSM-eiland bezoeken, Java-eiland, Borneo, Sporenburg.

Silodam, Graansilo's, Oude Houthaven

Alles wil ik zien, de noordoever, de zuidoever, alle eilanden, alle nieuwe architectuur. Het volledige, nieuwe waterfront. Een heerlijke omgeving. Nieuw hart van een nieuwe stad.

Pontsteiger, oude Houthaven

Aan de Grens

Na een parkje gepasseerd te zijn, loop ik toch maar een stukje terug en ga het park in, over het pad aan de linkeroever van de Estero. Er staat niet veel water in en langs het water liggen drooggevallen oeverstroken. De afstand tot de Guadiana en daarmee tot de oceaan is klein en er treedt hier getijdewerking op. Aan de overzijde, onder een helblauwe hemel met slechts enkele wolkjes, een aaneengesloten rij van witte huizen, de kozijnen en balkons in opgewekte pastelkleuren geverfd.

Estero de la Rivera

De Guadiana is hier honderden meters breed. Een terras bij de samenloop van Estero de la Rivera en Guadiana, voorzien van helder blauw geverfde reling, een eenvoudige lantaarnpaal en twee verwaaide palmen, biedt een goede plaats voor uitzicht op de rivier en de overkant, waar zich de contouren van een Portugees stadje aftekenen: Vila Real de Santo António.

Rechts, aan de noordkant, in de verte, verbindt een fraaie, grote kabelbrug de twee oevers tussen Spanje en Portugal over een afstand van enkele honderden meters: El Puente Internacional del Guadiana, de internationale Guadiana-brug.

Terras aan de samenloop

Het waait hier enorm hard. Windkracht zes of zeven, schat ik. Eén scheepje drijft er op de rivier, de zeilen gestreken, een paar honderd meter in de richting van de monding. Een kilometer of vier, vijf stroomafwaarts mondt de Guadiana uit in de Golf van Cádiz. Daar bevindt zich ook een heel complex van barrière-eilanden, gescheiden door geulen, zoutmoerassen en daar ligt ook Isla Canela, met duinen, brede zandstranden en eveneens moerassige delen.

Ondanks de harde wind ziet het wateroppervlak er vrij kalm uit. Aan de Portugese overzijde bevindt zich het Reserva Natural do Sapal de Castro Marim e Vila Real de Santo António – een natuurreservaat van wetlands, rijk aan vogels – ooievaars, flamingo’s -, vis en schaaldieren. Er wordt ook nog altijd zout gewonnen.

Guadiana

Ik kijk uit over de rivier. Langzaam komt het zeilscheepje deze kant op. Voor mij glijden slagschaduwen van de bewolking over het water; maar het scheepje drijft nog juist in de zon. Aan de overkant ligt Vila Real de Santo António ook in de zon. Heel langzaam glijden de schaduwen nu weg. Ik kijk omhoog naar de bewolking, veel wolken zijn het niet, en dan kijk ik weer naar de rivier. Zonlicht glinstert nu overal op het water, sprankelend en glinsterend. Costa de la Luz-licht. Even bespeur ik bij mijzelf een zweem van melancholie, een vleugje besef van de tijdelijkheid van alles. Daarheen varen, helemaal de rivier af en langs de kust en dan de wijde oceaan op. Altijd blijven varen, altijd blijven reizen. Eeuwig leven.

Sorrentina

Ik wandel weer naar boven, naar het hoogste terras. Omkijkend naar de villa, waarvan de muren gepleisterd zijn in zachtgeel, de ramen voorzien van groene luiken, zie ik nog altijd geen mens. Alle ramen zijn gesloten, sommige rolluiken zijn neergelaten. De zang is gestopt, in de tuin klinkt het aarzelend gefluit van een eenzame vogel.

Naast de villa is een kale rots te zien, in het licht van de laagstaande zon; daarvoor ligt de achtertuin van het naastgelegen huis, waar pijnbomen staan; aan de baaizijde bevindt zich, aan de rand van de tuin, een prieel.

En voor mij, in het avondlicht, ligt de wijde baai van Napels. Nagenoeg rimpelloos.  De baai van Napels, al sinds eeuwen geschilderd, bezongen en bejubeld, – een baai die bij mij in eerste instantie vooral beelden oproept van de tijden waarin talloze villa’s van Romeinen rond de baai gelegen waren, villa’s waarin ze zich terugtrokken om te lezen, te schrijven, zich te ontspannen met vrienden. Campania felix…

Maar daar aan de overkant, in het Noorden, liggen ook de Campi Flegrei, de brandende velden, met een gigantische vulkaan bij Pozzuoli als centrum. Een enorme caldera strekt zich tot ver onder de baai uit,- een vulkaan met, verborgen onder de oppervlakte van het nu zo stille water, een potentieel explosieve kracht waarmee vergeleken elke uitbarsting van de zo beroemde Vesuvius, in verleden of toekomst, niet meer is dan een kleine rimpeling in het water.

Baai van Napels

Zomer in Amsterdam

De Entrepotbrug in het Oostelijk Havengebied. Een fraai appartementengebouw uit 1993, architect Atelier PRO. Licht meanderend, van de Cruquiusweg naar de Borneolaan, scheef over het westelijke deel van de Entrepothaven.

Dertien jaar woonde ik in Amsterdam, daarna bleef ik er nog negen jaar werken, maar hier kwam ik nooit. Tot gisteren.

Ik maakte een praatje met een bewoner van de nabijgelegen Entrepothof, die op een bankje aan de kade zat.

‘Mooi uitzicht ook,’ zei ik.

‘Blauw voor groen,’ merkte hij instemmend op.

Ik liep verder. De ganzen kwamen me snaterend tegemoet en weken geen millimeter.