Zondag in Cádiz

Zondagochtend, half negen. De Alameda Apodaca, een fraaie promenade langs de zee, ligt er nog stil en verlaten bij. Ik sta aan de balustrade, mijn handen op de koele steen, de blik op de zee gericht. In een nevelig verschiet is vaag de overkant van de baai zichtbaar; daar loopt de kust in westelijke richting naar Rota, om vervolgens naar het noorden af te buigen; rechts, in het noordoosten, moet zich het stadje El Puerto de Santa Maria bevinden, gelegen aan de monding van de Guadalete, maar veel meer dan een wazige kustlijn is er vanaf hier op dit moment niet te zien en aan die zijde beneemt ook een van de twee havendammen mij deels het uitzicht.

De lage ochtendzon, nu nog verborgen achter het silhouet van de oude stad, verlicht de toppen van de huizen in de verte; de stenen zeewering, die geen rechte lijn volgt maar een honderd meter verderop een knik naar rechts maakt, ligt daar ook al in het volle zonlicht. Het hoektorentje dat deel uitmaakt van de balustrade, opgetrokken in dezelfde grijsbruine stenen als de zeewering, bevindt zich nog in de schaduw.  Maar de vroege zonnestralen vallen tussen twee huizen door en werpen stroken zonlicht op het plaveisel.

Zondagochtendlicht. Costa de la Luz-licht. Deze paseo maritimo in regionalistische stijl is in de jaren twintig van de vorige eeuw ontworpen door architect Juan Talavera y Heredia, die door de Gaditanos daarvoor uit Sevilla werd gehaald, waar hij in vergelijkbare stijl enkele jaren eerder de Jardines de Murillo had ontworpen. Opvallend zijn de smeedijzeren straatlantaarns die mij vooral doen denken aan de sierlijke creaties van de Art Nouveau. Twee staan er als wachtposten aan weerszijden van een stenen bankje dat, net als het torentje, deel uitmaakt van de balustrade.

De zee is kalm. Voor mij ligt de baai van Cádiz; in het westen strekt zich de grote Golf van Cádiz uit. Ik vermoed dat het vloed is; de stenen zeewering rijst nu nog zo’n twee meter boven het wateroppervlak uit. Als ik naar rechts kijk, in oostelijke richting, zie ik daar in de verte een deel van de haven; drie containerkranen tekenen zich af tegen de ochtendhemel die nu toch langzamerhand blauw begint te kleuren. Ik ben van plan later een kijkje bij de haven te nemen, maar nu vervolg ik mijn wandeling in de tegengestelde richting. Een fietser op een mountainbike passeert me, voert fluitend een speelse slalom uit om denkbeeldige hindernissen en dan is het weer stil.

De oude stad ligt op het uiteinde van een langgerekte landtong, met een oorspronkelijke lengte van zo’n achttien kilometer die de Golf en daarmee de Atlantische oceaan scheidt van de baai. Aan deze zijde, de noordzijde, heeft de landtong nog een maximale breedte van ongeveer een kilometer, maar verder naar het zuiden is hij nauwelijks tweehonderd meter breed,- net genoeg voor een strand, een weg en de spoorlijn waarover ik hier gisteren ben aangekomen. Aan de andere zijde, in het zuidoosten, is ongeveer de helft van de landtong in de loop der tijd vergroeid met het voormalige eiland Isla de Léon, waarop nu het stadje San Fernando ligt.

In de tijd dat de Feniciërs hier een aantrekkelijke locatie ontdekten voor wat in eerste instantie waarschijnlijk niet meer dan een kleine handelspost geweest zal zijn, zag deze omgeving er heel anders uit. De baai was groter en er bevond zich een kleine archipel.

Eeuwen later, toen de kleine handelspost zich had ontwikkeld via het Fenicische Gadir tot het Romeinse Gades, een van de beroemdste steden van het toenmalige Romeinse rijk, hadden er weer allerlei sedimentaire veranderingen plaatsgevonden,- veranderingen die verwarring veroorzaakten bij de klassieke schrijvers die, al die eeuwen na het begin, de stichting van de stad probeerden te beschrijven.

Drie eilanden lagen in de baai, vertelt Plinius de Oudere: Erytheia, Kotinoussa en een derde, naamloos gelaten, dat door hem verder ook niet beschreven wordt. De eerste twee waren gescheiden door een zee-engte die van de baai in het oosten naar de Atlantische oceaan in het westen voerde. Op het noordelijk gelegen Erytheia stichtten Feniciërs, afkomstig uit Tyrus, dat bijna vierduizend kilometer verderop in het oosten aan de Middellandse Zeekust lag, waarschijnlijk hun handelspost, vermoedelijk in de  buurt van de huidige oude stad. Aan de andere kant van de smalle zeestraat, op het eiland Kotinoussa, (afgeleid van het Griekse κότινος – Wilde olijfboom) legden zij een necropolis aan en op de uiterste zuidelijke punt van dat eiland trokken ze een tempel op voor hun god Melqart.


Fraaie Villa’s 2

in villa vel marca appoldro

Soerenseweg 154

Talrijk zijn de fraaie villa’s in Berg en Bos: enkele van de oudste nog in neorenaissancestijl uit het vroege begin van de twintigste eeuw, maar ook rietgedekte landhuisjes in cottagestijl uit de jaren twintig en dertig, afgewisseld met witgepleisterde Art Nouveau-villa’s, expressionistische villa’s met organisch vormgegeven rieten kappen, traditionalistische villa’s uit de periode direct na de Tweede Wereldoorlog, functionele, kubusvormige villa’s uit de jaren zestig, zeventig en later.

En het zijn niet alleen villa’s. Ook modernistische bungalows uit de periode van wederopbouw en daarop volgende jaren liggen in royale, groene tuinen en trekken de aandacht van de geïnteresseerde wandelaar.

Soerenseweg 154 valt toch nog op binnen dit bonte, architectonische amalgama. Deze villa, op een hoek van de Valkenberglaan en de Soerenseweg gelegen, tegenover de Berg en Bos-school, werd ontworpen door de Apeldoornse architect J.A. Heuvelink en gebouwd in de jaren 1920-1922. Duidelijk zichtbaar is de invloed van Frank Lloyd Wright: de rechte blokken, de horizontale lijnen, de overstekende dakdelen, het witte pleisterwerk.

Soerenseweg 154 (1)

De villa werd dan ook ontworpen naar voorbeeld van Villa Henny die Robert van ’t Hoff in zijn woonplaats Huis ter Heide (tegenwoordig Bosch en Duin) in de jaren 1915-1919 realiseerde. Van ’t Hoff, wiens reputatie vooral op deze villa berust, had het werk van Wright bestudeerd, was het vervolgens met eigen ogen in de Verenigde Staten gaan bekijken en werkte ook nog enige tijd voor de Amerikaanse architect.

Het pand aan de Soerenseweg is iets minder strak uitgevoerd dan Villa Henny. Over de volle breedte van de zijgevels zijn loggia’s aangebracht, er zijn gemetselde bloembakken en de omtrek van het dak is geen rechthoek zoals bij Villa Henny, maar volgt de lijn van de gevels.

De villa kent een merkwaardige ontstaansgeschiedenis. Heuvelink (1879 – 1949), net een jaar gevestigd als zelfstandig architect, ontving in 1920 de opdracht van de Rotterdamse Handels- en Landbouwbank, opgericht door de handig – al te handige advocaat W. Broekhuys, die deze onderneming gebruikte om dubieuze loterij-activiteiten te organiseren, in eerste instantie als lokkertje verbonden aan uitgifte van obligatieleningen, maar al spoedig was men voornamelijk geïnteresseerd in de loterijprijzen.

Soerenseweg 154 (2)

Er werden zo in de eerste helft van de jaren twintig nog zes soortgelijke villa’s in het land neergezet, alle qua stijl beïnvloed door Villa Henny.

Op de bouwtekening werd het pand door Heuvelink nog Lucretia genoemd. Later werd deze hoofdprijs van een der loterijen door Broekhuys herdoopt tot Theresia en nog weer later door een nieuwe koper tot ‘De Essenhoeck’.

Dat Heuvelink erg trots was op zijn schepping is niet aannemelijk, daarvoor was het toch teveel een imitatie,- conform de opdracht van Broekhuys overigens. Stilistisch wijkt het pand ook geheel af van zijn andere creaties. Materiaal over de villa schijnt nergens terug te vinden te zijn in zijn archief. Intussen is het pand wel – enigszins ironisch – gepromoveerd tot rijksmonument.

W. H. Broekhuys overleed, na jarenlang achtervolgd te zijn door justitie en geconfronteerd met tal van processen, failliet en berooid, op 42-jarige leeftijd te Apeldoorn, getroffen door een beroerte. Ook deze gang van zaken zal voor de architect niet hebben bijgedragen aan de vorming van aangename herinneringen aan de opdracht.

De foto’s maakte ik op 14 maart 2020. Enkele dagen eerder was COVID-19 tot pandemie verklaard, er werd  aanbevolen om sociaal contact te mijden en twee dagen later zou een ‘intelligente lockdown’ worden afgekondigd, maar dat weerhield mij niet van wandelen in deze omgeving. Vele prettige wandelingen maakte ik in en rond deze mooie (en heel rustige) wijk. Het was, zoals aan de blauwe hemel te zien is, in elk geval wat betreft het weer een mooie dag.


Soerenseweg 154 (3)

Bronnen

Basisschool Berg en Bos

in villa vel marca appoldro

Berg en Bos is een parkachtige villawijk in het westen van het stadje A. De bebouwing stamt er grotendeels uit de jaren twintig en dertig. Ik maak er regelmatig een wandelingetje. Meanderende lanen, villa’s en heel veel groen. Hier zie je nog eekhoorns in de bomen rennen. En de vogeltjes kwinkeleren er vrolijk.

De wijk, ontworpen door landschapsarchitect K.C. van Nes, werd ingericht op een voormalig landgoed, eerst eigendom van een Antwerpse handelaar, later overgenomen door de gemeente en verkaveld. Het moet wel de groenste wijk van deze toch al zo groene stad zijn.

Openbare basisschool Berg en Bos, waarop al tijdens een van mijn eerste wandelingen mijn waarderend oog viel, werd geopend op 27 augustus 1932 – een echt crisisjaar – en was het ontwerp van ingenieur en toenmalige directeur van de gemeentewerken, Willem Nolen.

Berg en Bosch School 3

Het resultaat is fraai. In de trant van Dudok, vermeldt het monumentenregister. Deze bouwstijl is zeldzaam in het stadje A. Opgetrokken in baksteen, met vele vensters voorzien van roedenramen en voorzien van romaanse pannen op het robuuste dak, wekt het geheel bij mij nostalgische gevoelens.

Graag zou ik een kijkje binnen nemen; het oorspronkelijke interieur schijnt nog goed bewaard te zijn gebleven, met gangen voorzien van een afwerking in gele en zwarte verblendsteen en gele plavuizen en een bronzen plaquette die aangeeft dat de eerste steen werd gelegd op 14 januari 1932.

Berg en Bosch School 4

Op het schoolpleintje aan de Roosmale Nepveulaan, dat grenst aan de rechter zijgevel, staan dennen; het pleintje wordt begrensd door een bakstenen muurtje. Aardig is ook de erker aan de linkerzijde van deze zijgevel. De aanbouw aan de zijde van de Callunalaan is wat minder mooi en past niet goed bij het bakstenen deel maar wel min of meer bij de bungalows aan de overzijde van de straat. De fietsenstalling aan de Callunalaan is ook niet al te fraai: een gesloten bakstenen front. Aan de achterzijde van de school, aan drie zijden begrensd door de schooldelen, ligt het grote schoolplein. Een torenachtige uitbouw markeert een achteringang.  

Berg en Bosch School 2

De voorgevel aan de Soerenseweg heeft twee ingangen, beide voorzien van een diep rondboogportiek. De bronzen letters boven de linker ingang, ANNO 1932, zijn aangetast door de tijd. Boven het rechter portaal is te lezen: Berg en Boschschool.

In 2000 is de school gerenoveerd. Eerder, in de jaren tachtig, schijnt de reputatie niet zo best geweest te zijn. Nu gaat het weer goed. De school heeft tien lokalen en gemiddeld zo’n honderdzeventig leerlingen. Dit jaar zijn ze gestart met acht groepen. Het is wel een eliteschooltje. Zie de resultaten van scholenopdekaart.nl: meer dan de helft van de leerlingen ontvangt een vwo-advies.

Berg en Bosch School 1

30-4-2020

Fraaie Villa’s 1

in villa vel marca appoldro

Een van mijn favorieten in de omgeving: een mooie, vrijstaande villa met enkele chaletstijlinvloeden aan het begin van de Amersfoortseweg. Gebouwd in 1906 als een dienstwoning bij Het Loo, naar een ontwerp door de Arnhemse architect H.J. Tiemens. De villa ligt, goed zichtbaar vanaf de Amersfoortseweg, tegenover het laantje dat leidt naar Paleis het Loo.

Amersfoortseweg 1 3

De lengteas van de villa loopt niet parallel aan de Amersfoortseweg, maar wel aan het deel van de Valkenberglaan dat verscholen in het bos erachter ligt en dat daar niet meer is dan een onverhard pad waar buurtbewoners de hond uitlaten. Maar in 1906 was er niet zoveel verschil in de uitvoering van de twee wegen, geloof ik.

Voor de villa ligt, wat in deze buurt nogal opvalt, een min of meer halfronde vijver. Die doet natuurlijk wel denken aan de tuinen van Paleis het Loo. Het beeldje daarnaast staat er, getuige oude foto’s, al lang.

Het rechterdeel van de voorgevel risaleert; daarboven bevindt zich een steekkap met wolfseind; direct links ernaast, onder een glazen afdak, is de toegang. Ook boven de linker zijgevel is het dak voorzien van een wolfseind. De rechter zijgevel heeft een aangekapte aanbouw met daarboven een dakkapel met steekkap.

Amersfoortseweg 1 - 1

Heel geslaagd is het contrast tussen de detaillering van de luiken, het donkere schijnvakwerk en het helderwitte pleisterwerk. Plint, speklagen en ontlastingsbogen zijn ongepleisterd gebleven en verlevendigen het aanzicht.

Of het schijnvakwerk tot chaletstijlinvloeden (die het monumentenregister vermeldt) moet worden gerekend,- daarover valt te discussiëren. Maar de ruime overstek van het dak, gesteund door korbeelstellen die rusten op stenen consoles, is daarvoor wél karakteristiek. Ook het witte pleisterwerk past bij deze stijl.

Het dak zelf is bedekt met gesmoorde blauwe tuile du nord dakpannen. De band van rode tuile du nord langs de nok vind ik minder geslaagd: die oogt, door de gekozen zaagtandrand aan de onderzijde, als een restauratie in verkeerde kleur, uitgevoerd bij gebrek aan beter.

De villa, eigendom van de Koninklijke Domeinen, werd vroeger als huisvesting voor de opperhoutvesters van Paleis het Loo gebruikt. Hier kwamen in die dagen de bosarbeiders hun loon in ontvangst nemen. In het pand schijnt tot voor kort een stichting gehuisd te hebben, De Stichting van het Licht. Profetes Debora, de tachtig al enige tijd gepasseerd, ontving hier leringen en aanwijzingen vanuit de Sferen van Licht. Op de bovenverdieping bevond zich bovendien een boeddhistische tempel…

Enkele tientallen meters verderop ligt, in bijpassende stijl, het koetshuis. Het is ontworpen door dezelfde architect. Beide zijn rijksmonument.

Amersfoortseweg 1 2

Fonteinen zijn er ook nog, net als in de tuinen van Het Loo. Laatst zag ik ze tijdens een van mijn wandelingen zowaar in werking.

Amersfoortseweg 1 4

25-4-2020

Bronnen

Atrani

Ik ontdek een grafkapel, goed onderhouden, in witte steen, met grijze pilasters, op een met klimop begroeide verhoging: een familiegraf waar de famiglia Orazio Lucibello begraven is; maar het terras voor het kleine mausoleum is afgezet met hetzelfde rode, plastic gaas, dat ook hier met scheefgeslagen, houten planken op zijn plaats gehouden wordt.

Er is hier niemand te zien. Rust en stilte, ben ik daar wel naar op zoek?  Ik wandel terug naar de plaats waar ik de uitgang vermoed, maar ik ben gedesoriënteerd geraakt. Het begint warm te worden in de zon. En dan, in de verte naast het pad, toch een eenzame tuinman, schoffelend in de ochtendzon, die me de weg wijst naar de uitgang van het labyrint.

*

Daar beneden, in de ochtendzon, ligt het stadje – niet veel meer dan een kleine verzameling huisjes onderaan de berghelling, gepleisterd in wit, zachtgeel en verscheidene tinten roze. Blokvormige huizen, variërend in hoogte, met platte daken, dakterrassen, schijnbaar lukraak bijeengevoegd; smalle straatjes, hier en daar een pleintje, een binnenplaats.  Een kerktoren, twee geelgroen betegelde koepeltjes. Alleen de dakdelen van de kerk hellen en zijn bedekt met rode pannen.

De smalle, verhoogde weg langs de zee rondt de bocht en verdwijnt achter de kerk uit het zicht. Achter de bocht zie ik een inham van de baai, waar een bootje een wit schuimend kielzog in het blauwe water trekt; en daarachter, aan de overzijde van de inham, andere steile hellingen. Het bootje verdwijnt nu ook achter de kerk waarvan de achtergevel de ronding van de weg volgt.

Recht voor mij, enkele meters onder de verhoogde weg, het strand. Het is klein. Grijs, donker zand, waarin evenwijdige sporen zijn getrokken alsof het is aangeharkt. Twee parallelle rijen witte rotsblokken lijken een riviertje te begeleiden naar de monding in zee, maar ertussen is alleen meer strandzand te zien.

Arbeiders zijn aan het werk op steigers in de bogen onder de weg; enkele personenauto’s, een vrachtwagentje, staan in het zand geparkeerd. Een man op het platform van een hoogwerker bestudeert aandachtig de wand boven een van de poorten.

Achter het stadje rijst een hoge, nagenoeg verticale rotswand op.

Ik houd van hoge standpunten, plaatsen die uitzicht bieden op het geheel, de mogelijkheid alles te overzien, weidse uitzichten op een landschap of een panoramisch perspectief op een stadje als dit. Daar ligt het voor me, beneden me, in de aprilzon, bijna vanuit hetzelfde kijkpunt als op een van de litho’s van Escher.

Maar varietas delectat en de afwisseling van perspectieven is het meest boeiend. En dus daal ik, net als de profeet, van de hoge berg af naar het stadje hieronder, naar het strand, de zee, de wereld beneden.

*

Al in de dagen voor het ontstaan van het  massatoerisme in de jaren ’60 en ’70,  waarbij het Middellandse Zeegebied werd ontdekt door de toeristenindustrie, was de Amalfikust populair bij Britten uit de upper class en het was ook in die tijd, de jaren ’20, dat Escher naar Italië reisde.

‘Zij waren waarschijnlijk de enige vreemdelingen in het plaatsje,’ beweert zijn biograaf over Eschers verblijf in Positano.  ‘Positano was nog niet bevolkt door toeristen. Schrijvers als John Steinbeck en W. Somerset Maugham ontdekten het stadje meer dan twintig jaar ná Escher.’

Véél vreemdelingen zullen het in elk geval niet geweest zijn. En het was pas veel later, in de jaren vijftig, dat Steinbeck, Somerset Maugham en onze eigen priesterpoëet Bertus Aafjes de Amalfikust ontdekten.

Na twee eerdere Italiaanse reizen van enkele weken, maakte Escher eind september 1922 een reis naar het Middellandse zeegebied, eerst naar Spanje, om vervolgens op 6 november per schip van Cádiz naar Genua te reizen. Hij verbleef een tijd in Siena en omgeving. In het voorjaar van 1923 kwam hij aan in Napels. Twee weken later reisde hij naar Ravello, waar hij drieënhalve maand zou blijven. Ook ontmoette hij er Jetta Umiker, dochter van een welgesteld, Zwitsers echtpaar dat in Italië woonde. Een jaar  later zou hij met haar trouwen.

In de zomer van dat jaar reist hij terug naar Siena, waar hij de tekeningen uit Ravello uitwerkt tot houtsneden. Hij zou er in de jaren daarna nog verscheidene malen terugkeren, samen met Jetta. De litho waarop Atrani is afgebeeld, stamt uit augustus 1931. Hij moet ergens aan de andere zijde van het stadje gestaan hebben, op een hoog punt; of misschien was het alleen een denkbeeldig punt.

Later verwerkte hij deze beelden in de Metamorphosen, waarvan de eerste, uit 1937, een geleidelijke metamorfose toont, gezien van rechts naar links, van een Japans ogend mannetje met strohoed, via een reeks blokken, naar een stadje waarin Atrani te herkennen is: de kerktoren, de koepeltjes, de ronde bocht, de zee.

‘Hij zocht gewoontegetrouw de hoogste punten op om over de stad en het water…’ vertelt de biograaf.

Afstand. Overzicht. Fraai is ook de krijttekening Gezicht op Atrani, die gedateerd is 25 mei 1931, in kleur. Dezelfde positie, de kerk, trappen, waarvan de voorste, die het beeld inleidt, waarschijnlijk door hemzelf beklommen is.

*

Een kleine bulldozer rijdt diagonaal over het strand. Een zwerm meeuwen tussen zoekt bij de monding van het riviertje, in het vochtige zand tussen de rotsblokken, naar voedsel. Het is een klein strand, een inham tussen de punt waarop de kerk staat – de Collegiata di Santa Maria Maddalena Penitente – en de rotspartijen tussen Atrani en Amalfi.

Enkele bootjes zijn op het strand gesleept. Een man ligt op zijn knieën in het zand en bewerkt met een schuurmachine zijn boot; een tweede is bezig zich om te kleden. Hij trekt een korte broek aan en op blote voeten en met ontbloot bovenlijf, begint hij zijn bootje te wassen met een sopje dat ik hier, een tiental meters verderop, kan ruiken.

In de zomer zullen hier de strandstoelen staan, opgesteld in rijen, maar nu is het eind april en te koud voor een bad, hoewel de temperatuur hier aangenaam is. Ik heb mijn jas al uitgetrokken tijdens de wandeling over de cimetero en betreur het dat ik mijn zonnebril niet heb meegenomen. Het is half elf.

Atrani is, meer nog dan Amalfi, hoewel een stad en zelfs een gemeente, een echt gehucht. Het heeft een oppervlakte van minder dan een halve vierkante kilometer, waar een kleine duizend mensen wonen. Waarschijnlijk was ook dit deel van het ‘Amalfi’, waarnaar in de tijden van de zeerepubliek werd verwezen. Misschien werd de haven ook wel door de Amalfitanen gebruikt. Onwaarschijnlijk lijkt dat niet, want de afstand tussen de twee plaatsjes is klein. Zou hier de haven zijn? Wat ligt er achter de kaap waarop de kerk staat? Ik besluit het stadje in te lopen om te kijken wat er te zien is en het kerkje te bezoeken.

Het riviertje de Dragone, lieflijk in de vallei achter het stadje, maar hier nu een drooggevallen bedding, doorsnijdt de vallei achter de stad en loopt, onder de stad door, tot hier. Een paar jaar geleden kwam er, tijdens stormen die heel Campania troffen, een onverwachte modder- en puinstroom naar beneden die auto’s wegvaagde, de inwoners deden vrezen voor instortingen en tenslotte het leven kostte aan…

Aan de baai van Napels

Achter mij hoor ik, heel zacht, religieuze zang: het komt door een open raam op een van de lager gelegen terrassen. Het klinkt ingetogen, harmonieus en het verstoort de sfeer van rust en stilte niet. Misschien is dit deel van het dagelijkse avondgebed, waarmee de zusters hun samenzijn vieren, waarbij ze zich verenigd voelen met elkaar, met het goddelijke. Het roept herinneringen aan mijn jeugd in mij op.

Ik sta aan de balustrade op het hoogste terras en kijk uit over de baai van Napels. Half zeven. Het is windstil, het water hier beneden nagenoeg rimpelloos. Ver weg, bijna aan de overzijde van de baai, vaart een veerboot in de richting van Napels. Hij lijkt nauwelijks te bewegen. Op een paar honderd meter afstand, links van me, glijdt een roeibootje over het water. De man aan boord, alleen, roeit met trage bewegingen; af en toe laat hij de riemen rusten en  kijkt om zich heen, terwijl zijn bootje nog langzaam deze kant op drijft, totdat de vaart er bijna uit is en dan maakt hij weer enkele slagen.

Aan mijn rechterzijde, schuin achter de uitstekende klip  bij Meta, is het grootste deel van de Vesuvius te zien en daar strekt de kust zich in noordelijke richting uit tot Napels. Aan de overzijde van de baai, waar de kust zich vanaf de bocht bij Napels in westelijke richting voortzet, moet Pozzuoli liggen; westelijk daarvan liggen Ischia en Procia, de twee grote, noordelijke eilanden in de baai.

Mijn kamer heeft balkondeuren die op een groot terras uitkomen, aan het uiteinde waarvan ik mij nu bevind. Andere gasten heb ik nog niet gezien, maar even voordat de zusters aan hun hora vesperae begonnen, hoorde ik, ergens op een van de gangen, een klein meisje schaterlachen en iets roepen in het Duits.

De sfeer hier lijkt die van een klooster: verstild, sereen. Niets beweegt, alleen de man in zijn roeibootje glijdt traag in de richting van de haven. De zon staat laag en in de tuin hiernaast zie ik lange schaduwen.

Ze zijn met zijn vijven, de zusters, de suore Pallotine. Althans, dat heb ik voorlopig geconcludeerd uit wat ik gezien heb. Jong zijn ze niet meer. Af en toe komen ze in de hal of de gangen voorbij schuifelen, knikkend en glimlachend. Ze zijn gekleed in traditionele, zwarte habijt met een sluier die hun oude, gerimpelde gezichten vrijlaat. Zeker ben ik er niet van, dat ze met zijn vijven zijn. Misschien ligt er nog een zesde, ergens in een kamertje, ziek of ál te bejaard, wie weet een zevende. Ze hebben zich, vermoed ik, afgesloten van de buitenwereld. Hier leven ze, achteraf in een buitenwijk van Sant’Agnello, in een smal straatje waarin het vooraanzicht van hun zeventiende-eeuwse villa niets doet vermoeden van het fraaie panorama dat zich hier aan de achterzijde laat genieten.

Waarschijnlijk spreken de andere zusters alleen Italiaans, maar één, met een opvallend donker uiterlijk, gekleed in afwijkende, witte habijt, spreekt Engels. Toen ik vanmiddag aankwam, schreef zij mij in, zorgvuldig gegevens controlerend en noterend;  ze haastte zich niet en de formaliteiten, onderbroken door belangstellende vragen en mijn antwoorden, duurden bij elkaar ruim een kwartier.

Een royale kamer aan de achterzijde is mijn deel. ‘Het is de bruidssuite,’ verklaarde de zuster. ‘Het is onze mooiste en grootste kamer.’

De kamer is overwegend in mintgroen ingericht: groen gestreepte tegels op de vloer, in nagenoeg dezelfde tint als het hoofdbord van het bed en de sprei daarop. Boven het bed hangt een kruis, met een beeldje van Jezus. Aan de wand naast de balkondeuren hangt een portret van een voormalige paus: Johannes Paulus II.

De balkondeuren bieden toegang tot een betegeld terras, waar een tafeltje is geplaatst, twee ranke, metalen stoelen en een citroenboompje in een pot. Het oogt idyllisch. Vanuit de kamer kan ik een groot deel van de baai en de kust van Campanië zien. Enkele treden leiden van het kleine terras omhoog naar het grote terras waar ik mij nu bevind.

De eenzame roeier in zijn boot vaart nu rond het einde van de pier. Beneden, aan de voet van de steile rotswand rechts, ligt een kleine jachthaven. Aan de langste pier, opgebouwd uit grijze rotsblokken, ligt een groot jacht; aan de andere pieren vissersbootjes, roeiboten, zeilboten. De aangemeerde bootjes in het bassin achter de houten steiger voeren een intrigerende beweging uit: langzaam heen en weer naar de steiger, als een harmonische trilling van één groot langgerekt lichaam, in het ogenschijnlijk stilstaande water.

Toch lijkt het hier nog altijd windstil. In de haven is niemand anders te zien.

Ik loop naar de andere zijde van het terras en daal het trapje af. Op het lager gelegen terras bevindt zich een booggang van houten latten, begroeid met witte rozen, die leidt naar een ander terras, dichter bij het water, aan de havenzijde. Een metalen hek sluit het af, maar de toegangspoort staat uitnodigend half open.

Dit terras is overdekt met een pergola, waar rode rozen langs geleid zijn. Het terras is afgezet met lage, smeedijzeren hekken, voorzien van decoratieve patronen, tussen zuiltjes die betegeld zijn in hetzelfde motief als de tegeltjes op de tafelbladen: een Jugendstilachtige combinatie van bloemen en geometrische vormen. Overal staan planten in aardewerk potten.

Het einde van het terras, een smal muurtje in de vorm van een boog, dat hier het uitzicht op de baai belemmert, bevat een tegelplateau waarop La Madre dell’ Amor Divine, is afgebeeld: Maria en kind, in felle rode, gele en blauwe kleuren. Het kind staat op een donkergroen kussen; beiden hebben iets in hun hand: het kind een kaars, de moeder een hart, doorboord met een pijl.

Wandelend over de terrassen, kijk ik om mij heen. Hier is een pad tussen de borders, waarvan de muurtjes zijn betegeld met een regelmatig mozaïek van steentjes, in blauw en wit, daar een bordermuurtje met tegels die een zuiver symmetrisch motief van bloemachtige, geometrische vormen vertonen, in zachte tinten: geel, korenblauw, tarwe, turkoois; hier zijn op en aan de muurtjes terracotta bloembakken bevestigd, met goed verzorgde bloemen.

Op een volgend terras blijf ik staan voor een tegelplateau waarop een portret is afgebeeld van San Vincenzo Pallotti, de stichter van de orde. Hij heeft een icoontje in zijn hand, waarop Maria en het kind zijn afgebeeld. Met intens tevreden blik kijkt hij ernaar, zijn grotendeels kale hoofd omringd door een aura.

Ik wandel weer naar boven, naar het hoogste terras. Omkijkend naar de villa, waarvan de muren gepleisterd zijn in zachtgeel, de ramen voorzien van groene luiken, zie ik nog altijd geen mens. Alle ramen zijn gesloten, sommige rolluiken zijn neergelaten. De zang is gestopt, in de tuin klinkt het aarzelend gefluit van een eenzame vogel.

Naast de villa is een kale rots te zien, in het licht van de laagstaande zon; daarvoor ligt de achtertuin van het naastgelegen huis, waar pijnbomen staan; aan de baaizijde bevindt zich, aan de rand van de tuin, een prieel.

En voor mij, in het avondlicht, ligt de wijde baai van Napels. Nagenoeg rimpelloos.  De baai van Napels, al sinds eeuwen bezongen en bejubeld, – een baai die bij mij in eerste instantie vooral beelden oproept van de tijden waarin talloze villa’s van Romeinen rond de baai gelegen waren, villa’s waarin ze zich terugtrokken om te lezen, te schrijven, zich te ontspannen met vrienden. Campania felix…

Maar daar aan de overkant, in het Noorden, liggen ook de Campi Flegrei, de brandende velden, met een gigantische vulkaan bij Pozzuoli als centrum. Een enorme caldera strekt zich tot ver onder de baai uit,- een vulkaan met, verborgen onder de oppervlakte van het nu zo stille water, een potentieel explosieve kracht waarmee vergeleken elke uitbarsting van de zo beroemde Vesuvius, in verleden of toekomst, niet meer is dan een kleine rimpeling in het water.

In Progress: Het Sorrentijnse schiereiland

In Progress

Nastro Azzurro

Dramatisch of ál te lieflijk?

Om de beurt  rijden de twee bussen, op de smalle strook kustweg tussen rotswand en afgrond, een paar decimeter verder, totdat ze tenslotte, de zijspiegels ingeklapt, de chauffeurs loerend door het zijraam, parallel naast elkaar staan, met hoogstens één decimeter tussenruimte, waarna beide chauffeurs weer flink gas geven, de ene bus op weg in de richting van Sorrento, waar ik een uur geleden vertrokken ben, de andere, waarin ik vanachter het raam zit te kijken naar het landschap, op weg naar Amalfi. Een kilometer of tien is het nog. Rechts van me, in de diepte, zo’n honderd meter onder de kronkelende weg op de berghelling, breken de golven op de rotsen.

Twee uur. Een bewolkte dinsdagmiddag, eind april. Maar regelmatig klaart het op en breekt de zon weer door en dan glinstert het licht op het water in de baai van Salerno, daar beneden. Geregend heeft het vandaag niet en ik verwacht niet dat het alsnog gaat gebeuren.

Ook Positano, waar we een paar minuten geleden zijn gestopt, toonde zich in het zonlicht: de bewolking brak juist op het moment dat vanuit de bus, hoog op de berghelling, het stadje tegen de steile berg in zicht kwam. Zo wordt het afgebeeld op de zoetige ansichtkaarten, de lokkende foto’s, de kitscherige schilderijen waar de toeristenindustrie gebruik van maakt: kleurrijk en idyllisch. Een aanzienlijk deel van de passagiers is er uitgestapt, maar ik zal het stadje, niet meer dan een gehucht, later bezoeken. Eerst ga ik naar Amalfi, waar ik voor twee nachten een hotel heb gereserveerd.

Dit is de zuidkust van het Sorrentijnse schiereiland, het Penisola Sorrentina, waarvan de ruggengraat gevormd wordt door de Monti Lattari,- een naam die in haar Latijnse oorsprong verwijst naar de vast en zeker voortreffelijke melk van koeien en geiten die er eeuwenlang graasden. De Monti Lattari vormen zelf de westelijke voortzetting van de Monti Picentini, een deel van de zuidelijke Apennijnen, waar deze bergketen dwars op staat, in een grillige tektonische uitschieter.

Deze weg, de Strada statale 163, wordt door de Italianen ook wel Nastro Azzurro genoemd, het Blauwe Lint, vanwege, neem ik aan, de fraaie uitzichten op de zee: geheel de zuidkust van het schiereiland volgend, verschijnt er bij elke bocht een nieuw, mooi panorama en bijna altijd is beneden in de diepte de zee te zien, waarvan de golven kalm breken op de basis van steile klippen.

Er zijn niet veel wegen die hier de plaatsen verbinden, in elk geval niet via een weg die meer is dan een verhard wandelpad, een voormalig muilezelpad. Aan de noordkust van het schiereiland, de Napolitaanse zijde, begint de SS 145, die vanaf Sorrento het schiereiland – hier maar een paar kilometer breed – doorkruist, door de heuvels, via het gehucht Sant’ Agata sui Due Golfi, – min of meer de scheiding tussen de Sorrento kust en de Amalfi kust – waarna ze in oostelijke richting vervolgt, om tenslotte aan te sluiten op Het Blauwe Lint.

Groot zijn de afstanden ook niet. Althans, hemelsbreed niet. Het schiereiland, met een oppervlakte van een kleine tweehonderd vierkante kilometer, is hier minder dan vijf kilometer breed en in het oosten is de afstand Castellamare di Stabia – Salerno, waar je ruwweg de basislijn zou kunnen trekken, misschien vijfentwintig kilometer. Maar deze busrit van Sorrento naar Amalfi, over een afstand van zo’n dertig kilometer, duurt ruim anderhalf uur. Dat lijkt lang, maar rijdend langs de steile afgronden op de smalle weg, besef je dat een grotere snelheid niet gewenst is.

Regelmatig gaat de snelheid er helemaal uit, wanneer het problematisch wordt als twee bussen in tegengestelde richting elkaar moeten passeren. Soms moet er gestopt worden bij een verkeerslicht, als de weg te smal of te onoverzichtelijk is om de twee verkeersstromen tegelijk door te laten. Bij elke bocht toetert de chauffeur waarschuwend een keer maar soms zou je wensen dat hij ook wat gas terugnam.

En nóg grazen hier de geiten. Als de Amerikaanse, enkele plaatsen voor me, blijkbaar alleen op reis, een paar loslopende schapen en geiten in de berm ontdekt, slaakt ze vreugdevolle, enthousiaste kreten en kijkt om zich heen of de andere passagiers het ook gezien hebben: ze moet het met ons delen. De verrassende details van het schouwspel rondom. Ik zie het kleine meisje in haar,- of misschien is het gewoon de mens, die in zijn enthousiasme alles met zijn soortgenoten wil communiceren, van het meest dramatische tot het meest onbeduidende.

De weg kronkelt zigzag, in S-bochten en haarspeldbochten, en af en toe rijden we een eindje in westelijke richting, waarbij de zee links in beeld verschijnt, om daarna weer, in oostelijke richting vervolgend, de zee aan de rechterzijde te zien. Steil zijn de kliffen, maar dramatisch, een veelgebruikt woord in toeristische beschrijvingen van het landschap hier, zou ik het aanzicht niet noemen. Mooi is het wel: de diepte, de blauwe zee beneden – donkerblauw, verder van de kust, turquoise op ondiepe plekken; hier en daar een dorpje, soms aan de voet van de helling gelegen, aan het water, soms opgetrokken tegen de helling, soms op een hoge richel. Helder gekleurd zijn de huizen, in witte en gele en terracotta tinten en misschien biedt deze bewolkte dag toch het beste licht om er van te genieten. Het moet ook weer niet ál te lieflijk zijn.

De chauffeur trapt opeens hard op de rem en de bus komt met een schok tot stilstand. Een vrouw voor mij, in gezelschap van wat waarschijnlijk haar twee dochters zijn, schiet vooruit, zoekt in een reflex houvast aan de koffers in de bagageruimte voor haar en slaakt een verschrikte gil. De dochter naast haar helpt de vrouw weer overeind en slaat beschermend een arm om haar heen. De chauffeur toetert langdurig en even later rijden we weer.

De bus rijdt door een laatste tunnel, waarna ons opnieuw een blik vergund wordt op de zee, maar ook op een haven en het stadje beneden aan de berghelling; en dan zijn we in Amalfi. Tenslotte stopt hij op een plein bij het haventje; de chauffeur manoeuvreert tot hij in de rij staat tussen een tiental andere, wachtende bussen en de passagiers stappen uit, nieuwsgierig en zich oriënterend rondkijkend.

Ik loop naar het water en ook ik kijk om mij heen. Net als zij.

Amalfi

Het verbazingwekkende aan Amalfi is, dat het in vroegere tijden, van ongeveer 850 tot 1100, hoewel nauwelijks meer dan een dorp, toch een onafhankelijke zeerepubliek was, een centrum van handel dat belangrijker was dan Napels, een zeemacht die zich kon meten met Pisa, Genua en – toen in opkomst – Venetië, terwijl het nu, maar ook toen, niet veel meer dan een gehucht is, ingeklemd tussen de berghellingen en de zee.

 

Tarifa

African CoastDe Verbeelding

Ik sta aan de rand van het strand en kijk naar de kust van Afrika aan de overzijde. Bergen, heuvels, – de uitlopers van het Rifgebergte. Het begint intussen schemerig te worden. Tegenover mij flonkeren hier en daar lichtjes op: Tanger. Zonlicht schittert nog op het water van de Straat, een eenzame kitesurfer zweeft nog over de golven, aan de waterlijn staat een paartje en maakt foto´s. Rechts van mij, op zo´n honderd meter van de kust, ligt een jacht, met neergehaalde zeilen; de kale mast steekt af tegen de donkere lucht. Er is niemand aan boord te zien.

Hier niet het weidse vergezicht, de glanzende, oneindig schijnende watervlakte van een zee, een oceaan. De nabijheid van de Marokkaanse kust, de opflikkerde lichtjes van Tanger aan de overkant, creëren een intieme sfeer en een gevoel van rust daalt voor het eerst vandaag over mij neer. Ik kan hier nog uren blijven, uren staan kijken, tot de nacht valt.

Dit is het meest zuidelijke puntje van het Europese vasteland. Tanger, aan de overzijde, ligt op slechts een kleine vijftien kilometer afstand. Ik had vage plannen om de stad te bezoeken, maar toen ik deze middag bij de haven aankwam, bleek de veerboot juist vertrokken en zin om het tochtje in de avond te maken heb ik niet. Misschien morgen, maar misschien ook niet.

Links van mij ligt het Isla de las Palomas, een eilandje dat nog net iets verder zuidelijk ligt dan Tarifa zelf. Het is verbonden met de vaste wal door een korte dam en vanmiddag ben ik er over die dam naar toe gewandeld. Maar aan het eind van de dam bevind zich een hek en het eilandje is afgesloten voor het publiek.

Nu ligt het in de schemering, de kleine, antieke vuurtoren is nog zichtbaar boven het donkere silhouet van de lage bebouwing. Licht uitstralen doet hij niet. Ik draai mij om. Achter mij, hoog op een heuveltop, ligt het Castillo de Santa Catalina, een oud fort, afgetekend tegen een gele en donkerrode avondhemel. Ik sta op een rommelig pleintje, een uitstulping in de bocht van de weg, grenzend aan het strand, daarvan nog gescheiden door een smalle strook begroeid met onkruidachtige gewassen.

Het paartje loopt nu hand in hand langs de waterlijn. De eenzame kitesurfer loopt intussen weer op het strand. Er staat maar weinig wind en een kalme branding streelt het strand. Links zie ik een zwerver of een toerist op het strand liggen, in slaaphouding, een gebogen arm onder het hoofd. Hij ligt in het zand, in de beschutting van een muurtje. Hij beweegt niet.

De avondveerboot vaart weg. Het is bijna donker, maar de hemel in het westen boven de Atlantische oceaan is nog fel gekleurd, rode en gele strepen en vlekken in de gaten tussen de laaghangende bewolking.

Ik ben weer alleen, ik voel mij ook alleen en ik kijk weer uit over het water, naar de Afrikaanse kust, de schitterende lichtjes van Tanger aan de overzijde. Het is bijna donker. Ik vraag mij af wat ik zoek en waarom ik hier ben.

*

Misschien zijn de creaties van de verbeelding niet meer dan…

Het panorama van Nerja 2

Het is eind februari, dus niet al te druk. Wandelend door de smalle straatjes, deels voetgangersgebied, deels eenrichtingsverkeer, met cafés, restaurantjes en winkeltjes, waar het aanbod vooral lijkt aangepast aan de wensen van de toerist, kom ik uit bij het Plaza Cavana. Een tapasbar, een bankfiliaal, een makelaarskantoor, terrasjes. Diagonaal gelegd patroon van rode, witte, grijze en groene tegels. Bomen, bankjes. Aan dit uiteinde van het plein bevindt zich de Iglesia El Savador, een wit Barok kerkje uit de zeventiende eeuw met een kleine klokkentoren. Aardig tegeltableau in blauw en geel boven de ingang, de kleuren trekken de aandacht. Ik vraag me af wat het precies voorstelt. Jezusfiguur denkelijk, omringd door vijf volgelingen. Twee mannen naast hem – Petrus en Paulus? Een man en twee vrouwen onder op de voorgrond lijken te leunen tegen een rots. Op de achtergrond lijkt de zee te zien, blauwe cumuluswolkjes erboven; het geel suggereert strand, maar Jezus en de twee hem flankerende mannen zweven ervoor, op witte wolkjes. Ervoor, erboven… Falend perspectief, falend referentiekader.

Een toeristisch treintje staat stil achter een auto die de smalle doorgang belemmerd. Getoeter, geroep. Aan het andere uiteinde van het plein zie ik een kleine galerij waarachter de kust zichtbaar is.

Nerja 2 1

Ik wandel het plein over. En daar, rechts aan het andere uiteinde, strekt het Plaza de Balcón de Europa zich uit. Een rechthoek, zo’n tachtig meter lang misschien, uitmondend in het cirkelvormige balkon zelf; het geheel heeft ongeveer de vorm van een flessenopener. Een brede middenbaan, belegd met dezelfde rode, groene, witte en grijze tegels, nu in lijnen  parallel aan de zijden van het plein, omzoomd door palmen in rechthoekige perken; bankjes en lantaarnpalen.

Het uitzicht is inderdaad fraai. Links, in oostelijke richting, de baaien en kliffen van Maro-Cerro Gordo, waar de uitlopers van de bergen steil in de zee uitmonden. Het natuurpark de Sierras de Tejeda, Almijara y Alhama stekt zich hier uit van Nerja tot La Herradura, zo’n tien kilometer verder naar het oosten; het is een speciaal beschermd gebied met interessante geologische formaties en een rijke biodiversiteit. Beneden mij ligt een klein strand in de inham, het Playa Calahonda, dat al snel eindigt in rotsblokken en begrensd wordt door een steile wand waarboven de witte huizen van Nerja, aan de rand van de kliffen. Op het kaartje van de receptioniste lijkt het allemaal één groot strand, maar een lange wandeling langs het water zit er niet in. Rechts is de kust lager en minder steil; beneden het kleine zandstrand Playa El Salón, daarachter een tweede strand in een inham en een lage kaap.

Nerja 2 2

Een jongetje draait aan een van de opgestelde telescopen, maar driehonderdzestig graden draaien lukt niet. Een vrouw met een baby neemt schrijlings plaats op een van de twee roestige kanonnen en laat zich glimlachend fotograferen door haar  vermoedelijke echtgenoot, de vermeende vader. Twee jongetjes op skateboarden testen onvermoeibaar hun vaardigheden in sprongen vanaf de twee gestapelde marmeren schijven, de bovenste iets kleiner dan de onderste, op de plek waar het gat van de flessenopener zich had kunnen bevinden.

Een paar meter verder staat een standbeeld van koning Alfonso XII, die hier op 12 januari 1885 een bezoek bracht en de naam Balcón de Europa bedacht – althans volgens een plaquette in het trottoir. In een nonchalante pose, de benen licht gekruist zoals Settembrini bij zijn eerste verschijnen in De Toverberg, staat hij, gekleed in pantalon en strak jasje, leunend met één hand op de balustrade. Het laatste jaar van zijn regeerperiode, overigens. Slachtoffer,- niet van de tuberculose, maar van de cholera…

Het balkon is gebouwd op een natuurlijk klif. Het water ligt zo’n vijfentwintig meter beneden; daar zijn nog brokstukken en restanten te zien van de beschieting door de Britten in 1812 van La Batería, zoals het gebied hier in die tijd genoemd werd, in de Spaanse onafhankelijkheidsoorlog. In december 1884 werd een groot deel van Nerja vernield door een aardbeving.

Nerja 2 3

Ik drink koffie op het terras op de westelijke punt en maak ruzie met een ober over het wisselgeld. Ik beslis graag zélf over mijn fooi, roep ik hem geïrriteerd na, als hij met een zwierig gebaar en een joyeuze uitroep de rekening en het bankbiljet aanneemt, om vervolgens elders een bestelling te gaan opnemen. Maar hij reageert niet en ik loop hem achterna. One moment, please?  En dan gaat hij binnen in het restaurant wisselgeld halen en biedt het mij bij terugkomst ironisch aan op een dienblad, dat hij hoog ophoudt en mij nog net niet tegen de borst duwt.

‘Adios!’

‘Adios!’

Sarcastische afscheidsgroeten.

In de namiddag wandel ik door de Calle Hernando de Carabeo, een smal straatje omzoomd met witte huizen, smeedijzeren traliewerk voor toegangspoortjes naar bloemrijke patio’s, smeedijzeren traliewerk voor de ramen, gelakte bruine houten luiken ernaast en ik kom uit bij het Playa Carabeo. Een aardig balkon boven het strand, kleiner en eenvoudiger dan het Balcón de Europa. Ook hier een kanon. Een keramisch mozaïek in wit met een anker. Het is een klein strand en het uitzicht aan weerszijden hierboven is beperkt. Witte balustrade, met blauwe motieven,- hetzelfde blauw als de verf op sommige kozijnen in de straat. Palmbomen. Witte villa’s met terrassen en balkons aan de rand van de kliffen, de tuinen veelal afgesloten met hekken. Aan de landzijde hier en daar appartementenblokken van vier, vijf verdiepingen, met parkeerplaatsen vol auto’s en afvalcontainers aan de straat. Maar de schade valt mee en de gigantische appartementenblokken uit de echte toeristensteden, zoals Torremolinos, zie ik hier niet.

Verder naar het oosten ligt het grootste strand van Nerja, het Playa Burriana, met meer restaurantjes en winkeltjes. Het heeft een Blue Flag gekregen in 2006, net als het Playa Torrecilla, aan de westkant van de stad. Elke inham heeft hier een naam… Playa Caletilla heet het kleine strandje voor het Hotel Balcon de Europa, Playa El Chorillo, Playa El Chucho; maar er zijn ook grotere stranden, het Playa El Playazo aan de westkant is zo’n twee kilometer lang. Zestien kilometer kust, dertien kilometer strand.

Nerja 2 4

Ik wandel terug. Nog even naar het Balcón. Een vrouw op blote voeten voert vijf straatkatten. ‘Mijn vriendjes,’ zegt ze tegen niemand in het bijzonder. Het is stiller nu. De zon gaat onder boven de zee; witte schittering op het water langs de kust voor me, okergele strepen in de hemel, een fel verlichte wolkenrand.

Balcón de Europa… De naam, in al zijn blufferige grootspraak,  heeft me verleid en is blijven hangen, in de wazige caleidoscoop van anticiperende ideeën en beelden – wat verwachtte ik? Het uitzicht is wel fraai maar te lieflijk naar mijn smaak. En het Balcón zelf is té mooi: al te kunstmatig, al te opzichtig geconstrueerd podium voor het panorama. Mijn nieuwsgierigheid is bevredigd, maar tevreden ben ik niet. Ik zoek iets anders. Wat?

Europa is hier niet te zien, dit is Europa niet. Europa, dat is Barcelona misschien, Madrid of Sevilla zelfs. Europa, dat zijn de Cordilleras Béticas, de Spaanse hoogvlakte, de Sierra Nevada. Europa, dat is het gehele schiereiland, Noordwestelijk deel van de Euraziatische landmassa, van de bergachtige gebieden in het zuiden tot de noordelijke laagvlaktes; dat zijn de bergketens, de rivieren, de steden… En om dat te zien moet je misschien staan aan de Bosporus, of de straat van Gibraltar, maar niet hier. Je zou moeten zweven boven de gebergtes, de vlakte, de wateren – boven de Middellandse Zee, als een geest… – De fraaiste panorama’s ontrollen zich in de verbeelding.

‘s Avonds in het hotel lees ik wat. Reisgids, internetsites, History of Spain. En ik kijk op internet een stukje van Verana Azul, Blauwe Zomer, een serie uit de jaren tachtig van de vorige eeuw die in Nerja en omgeving opgenomen is. Een serie die zeer populair geweest schijnt te zijn en nog steeds elk jaar herhaald wordt. Op een van de websites wordt beweerd dat de serie het Spaanse gevoel van identiteit verstevigt… Dat zou knap zijn. Een groepje kinderen viert vakantie aan de kust en ontmoet een schilderes, Julia, en een oude wijze zeeman die woont in een boot op een heuveltop. Dat laatste kan ik wel waarderen, ook ziet Julia er redelijk aantrekkelijk uit en het Balcón verschijnt al binnen enkele minuten in beeld. Julia loopt hard, ze is aan het joggen in een tamelijk parmantige stijl en drie van de kinderen rennen achter haar aan. Ze vallen neer op het strand, één van de stranden, dat verschijnt in typische jaren tachtig kleur en dan valt het al niet meer aan te zien.

Ergens anders heb ik gelezen dat ook een scene uit The Last Run, 1971, in Nerja is gedraaid, al moet het dan een Portugees vissersdorp voorstellen. En inderdaad, George C. Scott sleutelt eerst met liefde aan zijn 1956 BMW 503 Cabriolet en even later is zijn stoere kop te zien boven de cabriolet waarin hij minutenlang in een testrit, slippend en schakelend, bochten afsnijdend een overigens geheel verlaten kustweg afrijdt. Thuisgekomen, gaat hij op bed liggen en draait aan zijn trouwring. Volgende scene: George aan het strand, vissersboot komt aan.

‘Good catch?’

‘No, it’s a North wind.’

‘If it isn’t the wind, it’s the temperature. If it isn’t the temperature, it’s the moon. All three are never right.’

Dat is dan ook wel weer voldoende.

Nerja 2 5

De volgende ochtend vertrek ik van de Avenida Pescia naar Almería, om mijn tocht langs de kust voort te zetten. Van het ‘carnaval’ krijg ik niets te zien; ook de dag van Andalucia verschijnt niet ten tonele. Althans niet binnen mijn blikveld. De Cuevas de Nerja, de druipsteengrotten waar twintigduizend jaar oude muurschilderingen zijn ontdekt, laat ik aan mij voorbijgaan – een beetje jammer, maar selectie is noodzakelijk.

En het dakterras, waar ik volgens de receptioniste een aardig uitzicht over Nerja had kunnen aanschouwen, ben ik vergeten.