Don Huigens in Den Haag – Fictie: Fragmenten (6)

 

1

Misschien wilde ze wel, misschien wilde ze niet. Ik ga nu niet vertellen hoe het precies zit – daarvoor is het nog te ingewikkeld. Maar eerst alleen, heel geserreerd, wat, wanneer en hoe. Het waarom een andere keer. Misschien.

Ik zou het wel willen: de gecompliceerde knopen ontrafelen, saillante details vermelden, de essentie uiteenzetten. En, in alle eerlijkheid, basale emoties roepen una voce dat ik het waarschijnlijk ook wel aardig zou kunnen. Maar het ligt te gevoelig. En bovendien is het de vraag of ik het allemaal wel kan reconstrueren, analyseren, kortom: of ik het eigenlijk wel weet.

En dus is het om allerlei redenen voorlopig niet mogelijk, of misschien: niet gewenst.

Wat? Ja, nee,- het is niet de logica die me in de weg zit maar, op allerlei moeilijk naspeurbare manieren, de werkelijkheid.

Het is ook niet helemaal duidelijk voor mij of ik het toch niet kan, of het zelfs principieel onmogelijk is, of dat ik het gewoon niet wil – dat laatste geef ik slechts hier, éénmaal, beschroomd en onwillig toe.

Je zult het allemaal misschien daarom niet begrijpen, nu niet en straks nog steeds niet – sorry. Hoewel een verontschuldiging hier zoiets is als excuses voor de Hollandse regen – die straks werkelijk in stromen naar beneden zal komen. Zij het in eerste instantie slechts in de verbeelding van de held. Dat is dan al wel weer een feit dat ik je schenk. Maar je zou het niet begrijpen, en dat respecteer ik.

Verwarring, onzekerheid en vermoeidheid liggen op de loer, ik waarschuw je maar vast, daar valt niets aan te doen. Een waarschuwing met de meest integere bedoelingen overigens.

Alleen dit dan.

2

Aan de zuidwestelijke kant van het Vredespaleis, op de grens van Zorgvliet, Duinoord en het Zeeheldenkwartier, waar de Groot Hertoginnelaan al sinds het eind van de negentiende eeuw haar ruime door neorenaissance panden geflankeerde bocht aan een kleurloos plein afgebroken ziet, stond Huigens, zijn gezicht naar het westen, heel ontspannen, te kijken naar het torentje van het Gymnasium Haganum.

Was hij hier niet eerder? Ja, maar hij leidde dat alleen af uit enkele gegevens waaraan hij in elk geval niet twijfelde – weinig reden had om aan te twijfelen: de herinnering aan zijn eigen gedachten. Het moest wel. Zeeheldenkwartier, Laan van Meerdervoort, de huizen in de neo- en eclectistische stijlen van rond 1880,- ze riepen dezelfde emoties op als toen, zij het dat het verdere verloop van zijn gedachten nu andere banen volgde.

Nee, het kon gerust geconcludeerd worden,- een conclusie min of meer gestaafd door de aanwezigheid van dezelfde associaties als toen. Hier op de strandwal, voormalige grens tussen duinlandschap en polder, stond hij nu weer, alleen, maar niet dezelfde als toen.

Want ze zou komen en ze zou het mooi vinden. Samen hadden ze de foto’s bekeken en de beschrijving gelezen, de pro’s en contra’s overwogen en samen hadden ze besloten een afspraak te maken om te gaan kijken,- een bezichtiging waarvan de consequenties toch eigenlijk al vast lagen.

Rechts van hem, wist hij, bevonden zich de voormalige duingronden, het landgoed Zorgvliet, de Scheveningse Bosjes en – enkele kilometers verder – de Noordzee, het water van hem gescheiden door oude en nieuwe duinen en het strand. Links het in de vroegere polder gebouwde Zeeheldenkwartier, daarachter het centrum.

Voor hem, in zuidwestelijke richting, strekte zich, parallel aan de kust, de Laan van Meerdervoort uit, over de oude strandwal, naar het landgoed Ockenburg, meende hij,  of misschien naar Meer en Bos.

Ik herinner mij een regenachtige zaterdagochtend waarop ik, in de dagen dat ik nog in het Zeeheldenkwartier woonde, over de Loosduinse kade liep, op zoek naar een nieuwe, goedkopere kamer. Toen ik aangekomen was bij het adres dat ik in de stadskrant gevonden had, zonk de moed mij in de schoenen. Hier was ik: alleen, de wereld rondom mij, regen, in zondvloedachtige hoeveelheden. Maar nu was het een maandag in mei, twintig jaar later.

En deze ochtend scheen voorlopig de zon. Twintig jaar later. Alles was anders en toch ook weer niet. De woning die ik later aan het Buitenom vond en waar ik vier maanden lang in tevredenheid woonde, is inmiddels afgebroken; de hele huizenrij is weg, er ligt nu nog een gapende zandvlakte, afgezet met hekwerk: de gapende wond die een planmatige maar al evenzeer dwangmatige geest ergens op een kantoorkamertje in overmoedige onbezonnenheid bedacht heeft. Pah! Maar hier is het centrum: Vredespaleis, Zeeheldenkwartier. En ik leef.

Huigens begon te lopen: in noordwestelijke richting, voorbij het Vredespaleis, een zijstraat in, langs een Italiaans ogende villa, voorzien van balkons gesteund door neoklassieke zuilen en hoog daarboven voorzien van een koepel; de bomen in de tuin en de stenen muren, licht met mos begroeid.

Ciao bella,’ dacht Huigens. ‘Talamini. Aziatische ambassade, Hollands boterbaasje. Financieel succesvol ventje.’

Hij neuriede zacht ‘Waar de blanke top der duinen.’ De zon scheen, de straat en de huizen glinsterden in de gloed.

Hij was te vroeg. Pas over een klein uur zou hij er moeten zijn: voor de afspraak, met Xiao Jie en de makelaar,- een telefonische afspraak die ze samen de vorige dag met het makelaarskantoor gemaakt hadden.

Hij stelde zich voor hoe Xiao Jie kwam aanwandelen, haar lange zwarte haar in een staart samengebonden, misschien in de gele mantel met de bontkraag, in de nieuwe zwartleren laarzen die ze de dag ervoor gekocht had.

Langs ambassadevilla’s, neoclassicistische diplomatenpaleizen, door een gebogen straatje zonder verkeer, wandelde hij, om zich heen kijkend, in snel tempo in noordwestelijke richting. Ver weg boven zee kwam een donkere bewolking aanwaaien, maar hier, tussen de villa’s, was het nagenoeg windstil. Het scheen hier uitgestorven: geen verkeer, geen mensen,- zelfs niet zichtbaar achter de soms van luiken voorziene werkkamers in de villa’s. Het was twaalf uur precies.

Aan beide zijden van de weg lagen villa’s. Kubus- en balkvormige bouwsels vooral, nogal verschillend van opzet: van een villa in Engelse landhuisstijl, inclusief onvermijdelijke klimopbegroeiing, tot een kubistisch wangedrocht met naar het scheen zuiver vierkante voorgevel, toch asymmetrisch opgezet, deels wit gepleisterd, deels in grijze natuursteen, scherp in contrast met de neoclassicistische panden in de rest van de straat. Hij keek de andere kant op.

Hier woonden ze, dacht Huigens, veilig in hun onveranderlijke geachte villawijk, de kapitalisten en oud-Indiëgangers, met hun gezinnen en personeel, gescheiden van de drukte van de hofstad.

Geprojecteerd uit de verbeelding van particuliere ondernemers, waren hier de wijken opgetrokken in het ontgonnen duingebied.

Hij stelde zich voor, hoe hij samen met Xiao Jie op het terras zat van een villa, hoe ze ontbeten in het licht van de ochtendzon.

Een aantal meters verder bleef hij staan en keek naar een villa.

Symmetrische voorgevel, muurankers, geblokte ontlastingsbogen boven de vensters, statige ingangspartij boven het driehoekige fronton. Links en rechts kleine dakkapellen. Het balkon gedragen door pilaren. Nu een kantoorpand, dacht Huygens, vroeger een huis.

Hij herinnerde zich opeens hoe hij ooit, toen hij een jaar of vijftien was, als jeugdige architect in spé zelf een villa had ontworpen, in chaletstijl, met veranda’s en balkons en dakkapellen aan alle zijden, niet gelegen in de stad, maar op een heuveltop (panoramisch uitzicht over golvende velden), met een bibliotheek, inclusief hoge, donkerbruine, eiken boekenkasten, een tennisbaan – en een zwembad natuurlijk. De schets, uitgevoerd in potlood en Oost-Indische inkt, moest nog ergens bewaard zijn gebleven.

Trilling op harthoogte. Hij haalde zijn telefoon uit de binnenzak van zijn colbert tevoorschijn, keek naar de afbeelding en drukte de toets in.

Ni hao!

‘Met mij!’

‘Ha, ben je er klaar voor? Waar ben je?’

Klassieke conversatie – bijna.

‘Op ’t station. Ik ben net uitgestapt. En jij?’

‘Ik wandel wat in de buurt. Een beetje verkennen hè… heb je er zin in? Weet je welke tram je moet nemen?’

‘Ja hoor. Nou, tot stra… haks…’

Zai Ti… hen...’

Xiao Jie, nog altijd niet gewend aan zijn licht neurotische punctualiteit, zou ongetwijfeld wat later komen. Gehaast en licht nerveus, zou ze haar onverstoorbare vriendelijkheid op de makelaar loslaten, wat hemzelf ertoe zou dwingen advocaat van de duivel te spelen…in zijn grondig geprepareerde rol van onverschillige belangstellende,- contradictio in terminis feitelijk, maar dat wist zo’n makelaar natuurlijk ook wel.

Huigens bereikte de grens van de wijk. Hier had de Atlantikwall gelegen. Er stond een kleine beeldengroep: twee mannen in uniform, Nederlandse soldaten uit de tijd van de Tweede wereldoorlog.

Ter herinnering aan onze krijgsmakkers, die in de meidagen van 1940 en daarna, hier en overzee hun leven gaven voor het vaderland.

Historisch bewustzijn, dacht Don. Westers dan toch. En het Vredespaleis dan… ach…

Het begon te waaien, een matige zuidwestenwind; de zon was achter de wolken verdwenen.

Er lag aan de overzijde een nieuwe wijk, gescheiden van het villapark door kantoorgebouwen en een brede naoorlogse straat, waar de voormalige Atlantikwall een andere gapende wond in de stad had achtergelaten. Aan de overkant zag hij gele bakstenen gebouwen, in sobere geometrische vormen: het gemeentemuseum. Bellend kwam een tram aanrijden, onwillekeurig keek hij naar de passagiers, maar Xiao Jie was er niet bij.

3

Hij stond bij de tramhalte voor het museum. Lang duurde het niet; na slechts enkele minuten wachten, kwam opnieuw een tram aanrijden en achter een van de zijramen zag hij haar al zitten: glimlachend, zwaaiend met haar hand. Ze stapte uit. Ze droeg haar gele mantel en een donkergele zijden sjaal.

Qin ai de… precies op tijd!’

Hij liep naar haar toe.

Er verscheen een scheef lachje op haar gezicht.

‘Afspraakje.’

Ze kusten elkaar en Don wees opgetogen naar de overkant van de straat.

‘Daarheen!’

Hij wapperde met de opgevouwen plattegrond. Hij keek haar lachend aan.

‘Ben je er klaar voor?’

‘Ja hoor!’

Golvende monumentale gevelwanden, rijk voorzien van erkers, balkonnetjes, torentjes. Rode en gele baksteen. De straten waren breed en kwamen hier en daar uit op pleinvormige kruisingen. Hij haalde de plattegrond weer uit zijn binnenzak en constateerde dat ze de volgende zijstraat in moesten.

Het hoekpand was lang geleden voorzien van geschilderde reclames op de zijgevel.

‘Boeken en tijdschriften. In vijf talen!’

‘P.Krom. Huisschilder en glazenmaker.’

‘Koloniale Waren Comestibles’

Ze staken opnieuw de straat over. Dit was een rustige zijstraat, smaller, waar de blokken herenhuizen gelijkvormiger waren. Ze sloegen een zijstraat in.

Dit was de straat.

Het straatnaambord aan de gevel van het hoekhuis was geëmailleerd; de letters waren licht aangetast door weersinvloeden. Maar de huizen waren goed onderhouden.

Samen zouden ze uitgebreid dineren aan een lange nieuwe eikenhouten tafel, in de schemerig gehouden kamer (kaarslicht, schaduwen). Driegangenmenu’s die zij samen zouden opstellen, een curieuze combinatie van Chinese en Nederlandse eetcultuur, hun eetcultuur. En daarna zouden ze samen bij de haard zitten en ze zou hem vertellen over Liaoning en het dorp en de rivier.

Dat ook.

De Oceaan (fragment 4)

19

Dat kreng. Alles met voorbedachten rade. Wat weet ze? Wat heeft die klootzak gezegd. Haar aantekeningen aan flarden scheuren. Vertrappen. Spugen. Aan de haren trekken, aan de haren door de kamer slepen. Wat nu? Kalm blijven. Schade beperken. Als iedereen het weet is er geen houden meer aan. Voorbeeld stellen. Kalm. Ze moet het niet publiceren. Doet ze toch. Doet ze natuurlijk toch. Eigenwijs kreng. Toneelstuk opgevoerd. Compleet toneelstuk. Wat weet ze?

Hij bestelde een tweede wodka en vroeg om ijs. De barman werkte met een tang twee blokjes ijs in het glas. Hij schudde het glas, de wodka begon aan een rondgang in het glas.

Turbulentie. Wodkastromingen. IJsbergen. Wat weet ze, wat weet ze. Er is nog niets definitief. Niets te bewijzen. Of toch? Wat levert dat onderzoek op? Ze zullen alles ontdekken. Ze gaan de promovendi ondervragen. En daarna? Wat daarna? We begrijpen het niet. We begrijpen het niet zo goed. Nieuwe opdracht. Afleiden. Die prints. Angst. Snel gereageerd. Doeltreffend. Is alles weg? Flarden van gesprekken. Wat heb ik gedaan? Ik weet het niet meer. Het is me overkomen. Een ramp. Er is me een ramp overkomen.

Hij pakte zijn glas. Zijn vingers trilden. Rondom hem was het stil. Hij zette het glas voorzichtig weer op het tafeltje, zonder een slok te nemen.

Wat doe ik hier? Vertrekken, haar laten stikken, wegrijden. Gewoon wegrijden. Zonder nog iets te zeggen.

Hij pakte zijn glas opnieuw, nam een slok, keek om zich heen. Het was rustig in de bar. De barkeeper draaide aan de knoppen van de muziekinstallatie. Aan het andere eind van de bar zat een man in pak, een zakenman, vermoedelijk; een jong stel zat op de barkrukken naast hem; ze schenen bij elkaar te horen of waren in gesprek geraakt. Af en toe klonk het hoge gelach van het meisje op.

Verder rijden, nooit meer terugkomen. Spoorloos verdwijnen. Aan het strand van een onbewoond eiland. Met haar weggaan. Samen. In de zon. Tropische zon. Diepzeeduiken. Koraalriffen. Nergens over nadenken. Nergens meer over nadenken.

Zijn hand sloot om de contactsleutel in zijn broekzak.

En dan. Wat weet ze. Ik moet precies bepalen wat ze weet en wat ze wil. En dan een plan verzinnen. Een aanpak, een strategie. Waar wil ik uitkomen? Of ze laat alle ellende weg of ik laat het haar opschrijven. Zodanig, dat het nog mee valt. Wat is meevallen? Gewoon wegrijden. Opgeven. Val dood. Allemaal. Nee. Misschien ontdekken ze niets. Misschien zijn ze met iets anders bezig. Realistisch blijven. Het is al geconstateerd. Ze hebben het al ontdekt. Ze. Wie? Doet het er toe? Eerst die meid. Misschien leest niemand het. Nee. Iedereen zal erover beginnen te schrijven. Napraters. Overschrijvers. Had ik maar… Kalm blijven. Plan bedenken. Rustig.

Hij dronk zijn glas leeg. De barman, oplettend, stond op. Hij bestelde een jus d’orange.

Wat ze weet bepalen. Teveel. Het is altijd teveel. Gewoon vragen. Wat weet je, Gonda? Zoals ze daar lag. Gonda. In haar mantelpakje, rok gekreukeld. Bloes gekreukeld. De witte kraakheldere bloes. Glad gestreken. Gekreukeld. Vijfentwintig, uit op de scoop van haar nog groene carrière. Wat weet je nu precies? En dan? Afzwakken, dwaalspoor bedenken, nu, eerst alles op een rijtje.

Hij stond op, schoof het glas jus d’orange van zich af en liep naar de hal. Wachtend voor de lift, keek hij om zich heen. Achter de balie stond de receptioniste te telefoneren. Ze legde de telefoon neer en glimlachte naar hem. Hij knikte en keek naar de verspringende lichtjes die de locatie van de lift aangaven. Het verspringen hield op; de lift bleef hangen op de derde verdieping. Hij wachtte ongeduldig, maar het duurde lang. Hij keek om naar de receptioniste, die bezig was een nieuw telefoongesprek te voeren; ze stond met haar rug naar hem toe. Zijn oog viel op een verlicht bordje: de trap. Snel deed hij een paar stappen naar de deur van het trappenhuis, opende de deur en sloot hem zacht achter zich. Een kale, betonnen trap leidde omhoog. Hij haastte zich de trap op en kwam hijgend boven. Hij bleef even staan om op adem te komen en haalde de sleutelkaart door de gleuf.

Ze lag op haar bed, de handen onder het hoofd. Ze draaide haar hoofd en keek naar hem. Ze zei niets. Buiten klonk het ruisen van de branding, straatgeluiden. Hij bleef staan bij de tussendeur.

‘Lekker gewandeld?’

‘Waar gaat het je nu precies om?’

‘Om alles wat ik gezegd heb.’

‘Ja, intussen weet ik niet meer zo goed wat alles is.’

‘Twee invalshoeken.’

‘Vind je dat nu zelf nog geloofwaardig?’

‘Het is misschien moeilijk te geloven, maar het is heus niet alleen om… dát.’

‘En wat wil je dan met dát? Is het je bedoeling om een oordeel te geven? Een veroordeling?’

‘Ik ben niet echt geïnteresseerd in de ethische aspecten.’

‘Alles mag?’

‘Blijkbaar toch niet.’

De vitrages bolden op; een zuchtje wind kwam van zee. Hij liep naar het raam. Beneden de kamer was het terras intussen verlaten. Hij kon het ruisen van de branding hier horen, af en toe stemmen van late wandelaars op de boulevard.

Uitzoeken wat ze wil. Haar plan. Heeft ze niet. Of toch? Wat is haar plan? Of ze het wil veranderen. Wat wil ze eigenlijk? Wat wil je Gonda? Wat wil je dan?

Hij liep naar zijn bed en ging zitten.

‘Maar wat wil je dan precies?’

‘Ik denk dat de wetenschap zo ingewikkeld is geworden…’

‘Hou toch op. Wat wil je nu?’

‘Je moet niet denken dat ik dat maar verzonnen heb. Daarom was ik toch bij dat congres? Dat interesseert me echt.’

Hij gromde iets onverstaanbaars, bukte en begon de veters van zijn schoenen los te knopen.

‘Laat ik het… even aannemen. Maar je hebt toch wel iets weggelaten, in je verhaal.’

‘Dat was de ene kant van de zaak. Dat heb ik je meteen verteld. De andere kant was jij. Dat heb ik toch ook gezegd?’

‘Ja, was er niet ook nog een andere invalshoek?’

‘Dat zeg ik en dat zei ik.’

Hij stond op en liep naar het raam. Hij wierp een snelle blik naar buiten en draaide zich toen om.

 

De Oceaan (fragment 3)

 

18

Gonda haalde de voicerecorder van onder het hoofdkussen te voorschijn om de opnamen opnieuw af te spelen. Ze wist precies wat hij gezegd had, daar op de boulevard. En daarvoor: kaarten, mama, zijn jeugd – psychologie. Ze beluisterde een ander fragment.

Het gezoem van de lift klonk, vaag hoorde ze het geluid ergens een paar verdiepingen lager. Het nam in sterkte toe, de bel klonk, ze hoorde de deur openschuiven. Voetstappen op de gang. Ze drukte haastig op de stoptoets, wachtte, luisterde en schoof de voicerecorder snel weer onder het kussen.

De deur ging open. Van Loon kwam de kamer binnen; een windvlaag trok door de kamer, toen viel de deur hard in het slot. Ze lag op haar rug, de handen gevouwen onder haar hoofd, haar enkels gekruist. Hij bleef staan in de deuropening naar het halletje.

‘We moeten praten.’

Hij had zijn das afgedaan, het blauwe puntje stak nog net uit een zak van zijn colbert. De bovenste knoopjes van zijn overhemd waren open; hij zag er moe uit.

‘Goed.’

Hij keek om zich heen alsof hij een stoel zocht om in neer te vallen; maar er was alleen het exemplaar aan het minuscule bureautje naast haar, waarop haar tas stond. Hij ging zitten op het tweede bed en draaide zich naar haar toe. Zweeg.

‘Praat dan. Jij werd kwaad. Jij liep opeens zomaar weg.’

Hij staarde haar aan.

‘Wat heeft de Vries gezegd?’

Er kwam niet direct een antwoord. Hij zag hoe ze naar hem keek en toen haar blik afwendde.

‘Nou? Ik wil dat toch wel graag precies weten.’

Ze keek hem niet aan. Het bleef stil. Haar schoenen stonden naast haar bed, aan het voeteinde, netjes naast elkaar; het jasje hing aan een kleerhanger in de verder lege kast waarvan de deur open geschoven stond. Ze had haar koffertje en de laptoptas op een bagagerek gezet, naast de deur naar het halletje. Beiden waren gesloten.

Ze zuchtte.

‘Dat hij je kende. Delft. De universiteit.’

‘En verder?’

‘Ja… hij bleef wat in het vage. Er scheen iets…’

‘Wat?’

‘Iets mis te zijn.’

‘Iets mis.’

‘Ja.’

‘Waarmee?’

‘Met dat artikel.’

‘Welk artikel?’

‘Dat laatste artikel van jou.’

‘Heb je niet gevraagd wát?’

‘Natuurlijk. Maar hij wist het ook niet precies.’

‘En wat dacht je toen?’

‘Ik was geïnteresseerd, natuurlijk. En ik vroeg hem of dat vaker voorkwam. Hoe erg dat was.’

‘Vrij stomme vragen, moet ik zeggen.’

Gonda zei niets.

‘En? Hoe erg was het? Volgens hem?’

‘Dat zei hij niet.’

‘En verder?’

‘Het was voor zover hij wist nog nooit eerder voorgekomen.’

‘En wat dacht jij toen?’

‘Hij was een beetje raar, vond ik. Hij maakte niet zo’n sympathieke indruk op me.’

‘O, niet? Dat valt dan al weer mee. En wat dacht jij toen?’

‘Ik dacht, dit is iets. Hier moet ik iets mee doen.’

‘En toen besloot je mij te benaderen met een smoes?’

‘Het was geen smoes. Ik was bang dat je anders niet zou komen.’

‘Je had me ook gewoon eerlijk alles kunnen vertellen.’

‘Was je dan gekomen?’

‘Weet ik niet. Misschien niet.’

‘Daarom.’

Van Loon stond op en liep naar het raam.

‘Heb jij dat artikel zélf eigenlijk gezien? Weet je waar het over gaat?’

‘Ja, ik heb wel gekeken op internet. Maar ik snapte er niet veel van. Niets, eigenlijk. Ik hoop dat jij…’

Van Loon deed een stap in haar richting, naar het voeteinde van haar bed.

‘Zal ik je vertellen wat ik ervan vind? Ik vind het allemaal ongelooflijk achterbaks. En… triest. Heel triest. En naïef. Zo werkt dat toch niet? Het is niet ethisch. Je had het moeten zeggen. Er bestaat toch zoiets als een journalistieke moraal? En op een gegeven moment had je het toch moeten aansnijden, deze… kwestie. En wat dacht je dan, dat mijn reactie zou zijn?’

‘Weet ik niet. Dat kon ik toch niet voorspellen? Ik heb niet echt een plan, zie je. Ik dacht… als ik eerst maar… Ik wilde je eerst spreken, om te kijken wat voor soort iemand je was. Bent. Dat… die invalshoek, de groei van de wetenschap, dat interesseert me ook echt hoor.’

‘Ja, ja. Ongetwijfeld.’

‘Wat moet ik nu zeggen? Sorry. Ja, sorry. Nu ik je ken, beter ken, ja, ik vind je aardig. Ja. Sorry, het was stom.’

Hij keek haar aan. Schudde zijn hoofd.

‘Dit is echt al te makkelijk.’

Ze gaf geen antwoord, maar bleef hem aankijken.

Hij zweeg en keek naar haar. Haar bloes gekreukeld, het bovenste knoopje nu geopend, haar panty’s wat verdraaid bij haar knieën, lag ze op het bed. Het bleef stil. Hij liep om zijn bed heen en ging weer op de rand zitten. Hij zag hoe ze naar hem keek. Hij ging liggen en vouwde zijn handen onder zijn hoofd. Buiten toeterde een auto op de boulevard. Een lichtbundel gleed over het plafond; het geluid van een automotor stierf weg. Opnieuw was het stil. Hij schoof zijn schoenen uit; met een plof vielen ze op de grond aan het voeteinde van het bed.

Gonda kwam overeind en legde haar kussen recht. Hij wendde zijn blik af.

‘Misschien…’

Hij bleef naar het plafond kijken. In het glas van de plafonniere bewogen twee muggen.

‘Rombert, luister je? Misschien kan ik het toch enigszins goed maken.’

‘O ja?’

‘Ja.’

‘Je meent het.’

‘Jij kunt je verhaal ook vertellen, toch? Dat zal ik dan precies zo opschrijven. Ik laat je alles lezen. Voordat ik het publiceer. Jouw kant van het verhaal. Jouw perceptie.’

Hij reageerde niet.

‘Is dat een idee?’

‘Dit klinkt als een soort juridische procedure. Redelijk. Evenwichtig. Heel redelijk. Enorm evenwichtig.’

Ze zweeg.

Van Loon stond op. Hij liep om de bedden heen naar het raam. Ze keek hoe hij daar stond, met zijn rug naar haar toe. Het bleef lange tijd stil. Tenslotte draaide hij zich om en keek haar aan. Ze lag nog steeds in dezelfde houding op het bed.

‘Ik moet hier over nadenken.’

‘Ja.’

‘Ik ga een eindje wandelen.’

‘Goed.’

 

De Oceaan (fragment 2)

 

15

De boulevard verbreedde zich tot een plein. Hier was het iets drukker; wandelende toeristen, flanerende stelletjes, een enkel kind. Bij de balustrade, aan de rand van het plein, zag hij een man en een vrouw; dicht tegen elkaar aan, de handen op de balustrade, keken ze uit over zee. De zon wierp, in het verlengde van de boulevard, een baan van glinsterend licht over het water; hij zette zijn zonnebril weer op. Aan de horizon zag hij een schip in zuidelijke richting varen. Achter het plein was het strand breder. Links stekte een gebogen wand van witte kalksteen en verlichte ramen zich uit.

‘Dit is het Kursaal.’

Ze draaide zich om en keek.

‘Kursaal?’

‘Casino, Kursaal. Wil je een gokje wagen?’

‘Dat laat mijn bescheiden financiële positie niet toe.’

Hij zweeg. Ze gaf een rukje aan zijn arm.

‘Laten we nu eindelijk eens een restaurantje zoeken.’

‘Kom mee, dan.’

Ze wandelden rond het casino. Aan de andere zijde van het plein liep de boulevard verder, langs een reeks cafeetjes, brasserieën, terrassen. Bij het laatste café bleef hij staan.

‘Is dit wat?’

‘Nee.’

‘Teruglopen dan?’

‘Dat was het ook niet, daar.’

‘Laten we hier maar eens kijken.’

Hij haakte zijn arm uit haar arm en sloeg het straatje in, dat naast het laatste café richting centrum leidde.

‘Het moet wel met uitzicht op zee zijn.’

‘Ja, ja.’

‘En ik wil vis op het menu. Of een zeefruitsalade! Garnalen, mosselen, krab. Of oesters. Een specialiteit… iets dat typisch is voor deze streek.’

‘Inktvis?’

‘Grapjas.’

Hij sloeg nogmaals een zijstraat in, bleef staan en keek om.  Ze haalde hem weer in en gaf hem opnieuw een arm. De straat liep evenwijdig aan de boulevard. Winkeltjes, restaurants, boetiekjes volgden elkaar op. Gearmd liepen ze een paar honderd meter. Voor de etalage van een boetiekje bleef ze opeens staan.

‘Kijk!’

Hij keek. In de etalageruit zag hij haar weerspiegeld: de vage contouren van haar lichaam, een beweging van haar uitgestrekte arm. Daarachter etalagepoppen, kleding die uitgestald lag op een ondergrond van blauwe stof. Ze wees naar een van de etalagepoppen.

‘Kijk, dat… die… muts!’

‘Die pop of die pet?’

‘Wacht hier.’

Ze verdween in het winkeltje, dat nog geopend was. Hij keek op zijn horloge. Het was bijna half negen.

Wat doe ik hier? Wat wil ze? Wat moet ik vertellen? Schrijft niets op. Off the record. Schrijft niets op. Maakt geen aantekeningen. Ik vertel ook niets. Geen slapende honden wakker maken. Congres. Nog even over dat congres. Wat deed je daar? Connecties. Onervaren. Waar ging het over? Heeft ze dat verteld? Nee. Wie was het nu? Journalist? Als ik het niet vertel, komt ze later in een rare situatie. Misschien. Niet mijn probleem. Ik heb mijn eigen problemen. Toch vertellen. Wat maakt het uit. Nee, het maakt me moe. Misselijk. Ziek. Wat doen we hier? Wat wil ze? Wat wil ik?

De straatverlichting ging aan. Hij keek omhoog; de hemel was nog licht. Opeens verscheen ze weer in de deuropening van het boetiekje. Ze kwam vlak voor hem staan. Hij lachte.

‘Aha. Dat is snel. Is het nu een pet of een muts?’

‘Het is een damescap in ballonvorm, meneer. Je mag het ook een pet noemen, want het heeft dit.’

Ze tikte tegen de klep, tilde die iets op en schoof het hoofddeksel wat naar achteren.

‘Leuk.’

‘Hij is van wol. Een mix van wol. Heel zacht en behaaglijk. Voel maar.’

Ze nam de cap af, haalde een hand door haar haren en hield hem de cap voor.

Hij voelde.

‘Ja, aangenaam.’

Ze zette de cap weer op, verschoof hem, zodat hij enigszins scheef op haar hoofd stond. Vanonder de klep keken haar ogen hem onderzoekend aan.

‘Modieus. Staat je goed.’

‘Dank je.’

Ze draaide haar bovenlichaam een halve slag, streek aan een zijde het haar achter een oor, plaatste die hand vervolgens in de zij en schoof met de andere hand de pet nog iets schever op haar blonde haren. Ze boog één been licht en plaatste de punt van haar pump op de kasseien.

‘Heel verleidelijk. Je kunt zó in een tijdschrift.’

Ze glimlachte.

‘Ik beperk me maar tot het woord. En ik ben geen modepopje. Heb jij eigenlijk ook geen trek?’

‘Laten we nog een klein eindje verder lopen.’

Ze liepen verder.

‘Wacht! Misschien dáár?’

Ze wees naar een uithangbord, een tiental meters verder in de straat.

Hotel-restaurant. Gastronomie met uitzicht op zee. Gastronomie vue sur mer.

Dit is een droom. Een absurde droom. Ze is wel aardig. Naïef. Aandoenlijk. Gewoon doorgaan maar. Wat anders? Dit is een droom. Wakker worden. Ze is aardig. Lief. Onschuldig. Absurde droom. Boze droom. Nachtmerrie. Boze droom. Hallucinatie. Schone droom. Natte droom. Wat wil ze. Laat haar maar. Laat haar maar schuiven. Weet wat ze wil. Of toch niet. Waar wil ze nu heen? Wat wil ze van me? Wat weet ze? Niets. Ontspan je.

Direct achter de toegangsdeur bevond zich een grote ruimte met links een receptiebalie, waarachter een meisje een tijdschrift aan het lezen was. Aan de tegenoverliggende zijde was de ingang naar het restaurant. Ze liep meteen door. Hij knikte naar het meisje en liep achter haar aan.

Een lange, smalle gang leidde naar een zaal die het beloofde uitzicht bood: aan een van de zijden grensde de zaal aan een plein, waar zich een terras bevond, overdekt met puntvormige luifels. Achter het plein was de boulevard zichtbaar; daarachter glansde de zee in het laatste daglicht.

Het was er niet druk. Hij liep achter haar aan, naar een tafel aan de zeezijde, in een hoek. Witte, gazen gordijnen hingen boven het hoogste deel van de ramen; op het terras was niemand te zien. Hij keek naar haar; ze nam de cap af, legde hem naast zich op tafel en keek om zich heen.

Een ober bracht twee menukaarten. Hij bestudeerde het menu.

‘Wachtbordje?’

‘Dat is het voorgerecht zeker.’

Ze draaide het menu om en bekeek de achterkant.

‘We hadden eerst buiten het menu moeten bekijken.’

‘Je wilde uitzicht op zee. Voilá!’

 

De Oceaan (fragment 1)

 

3

Die vrouw. Ambitieus. Intelligent. Net als ik. Analytische geest. Onderzoeksjournaliste. Reportage. Artikel. Belangstelling voor mijn opvatting. Veel vragen. Wat voor vragen. Context. Misschien had ik artikelen moeten opzoeken. Haar artikelen. Maar ik vond verder niets. Beter zoeken. Misschien is er verder niets. Referenties vragen. Heeft ze niet, misschien. Begint net. Hoe dit aan te pakken? Ze is onzeker. Precies wat ik dacht. Jong. Naïef. Benieuwd of ze er uitkomt, met die context. Groei. Exponentiële groei. Explosieve groei. Nog niet over nagedacht. Niet voorbereid. Vaag? Vaagheid biedt ruimte.

Hij boog voorover, pakte de cappuccino en nam een slok; hij liet zich achterover zakken in zijn stoel.

‘Misschien kun je er iets meer over vertellen, Gonda?’

‘Waarover?’

‘Over die context, die achtergrond. Wat je al bedacht hebt. Wat precies je bedoeling is. Om de gedachten te bepalen. Misschien kan ik daar op inhaken. Om een begin te maken.’

Ze duwde met het puntje van haar wijsvinger tegen de brug van haar bril. Haar blik dwaalde over het plein voor het café; hij dronk van zijn cappuccino en wachtte.

Context? Wil mij als voorbeeld. Willekeurige wetenschapper. Centraal staan. Mooie track-record. Is het de bedoeling dat ik haar help? Illustratie? Bron? Voorbeeld van wat? Wat denkt ze? Waar wil ze heen? Wat weet ze? Niets. Invalshoek. Uitbreiding van de wetenschap. Vakgebieden. Specialist. Gescheiden disciplines. Specialist op de vierkante centimeter. Kubieke centimeter. Water. Systemen. Globale, theoretische systemen. Benadering. Specifieke benadering. Noodzakelijk specialisme.

Hij volgde haar blik: de kiosk op het plein, ingericht als bar, alle barkrukken ervoor bezet, het overvolle terras ernaast; de bomen, de banken rond het plein, andere terrassen aan de randen; een fietser bewoog diagonaal over het plein en verdween om een hoek. Hij keek weer naar haar.

Dat lachje. Film. Dat scheve lachje. Die actrice. Naam? Gaat niet lukken. Naam? Laat maar. Ze kijkt maar ziet niets. Denkt na. Mantelpakje. Lijkt meer op een advocate. Officier van justitie. Rechtenstudente. Jong. Naïef. Intelligent. Wat te zeggen? Wat niet? Achtergrond. Vertel er iets over. Bedenk iets. Verzin iets. Of niet. Laat haar maar praten.

Ze keek op en knikte.

‘Ja, goed… Kijk… Ik heb mij een beetje verdiept in… Ik probeer een visie op wetenschap te ontwikkelen. De maatschappelijke implicaties, maar ook de eh… achtergrond. De filosofische achtergrond, de ontwikkeling. Van de wetenschap als geheel. En dan ook met name toch de sociale aspecten. Het wetenschappelijk bedrijf. Het… Ik heb een specialisatie nodig. Daarmee kan ik mij onderscheiden. ’

Hij knikte.

‘Aha. En ik dien als voorbeeld, als illustratie? En die context moet natuurlijk iets verklaren. Van wat ik doe. En waarom. Hoe. In de dagelijkse praktijk. En in het algemeen. En dat ga je dan inbedden in een populair overzicht van de huidige stand van zaken.’

‘Het hoeft niet per se populair te zijn.’

‘Hoe ziet die ontwikkeling er dan volgens jou uit? In grote lijnen? Wat zijn de gevolgen? Heb je daar al wat ideeën over?’

Ze boog opzij en graaide in haar handtas. Er kwam een notitieboekje tevoorschijn. Het was in zwart kunstleer gebonden. Een pen was er met de clip aan bevestigd. Ze nam de pen, sloeg het boekje open, bladerde even en keek hem aan.

‘Er is denk ik een kloof ontstaan. Tussen de leek en de wetenschapper. Kan de leek de wetenschapper nog wel begrijpen? En als hij het niet begrijpt, wat zijn dan de gevolgen voor het gezag van de wetenschap? En als de wetenschappelijke kennis zo gegroeid is, sinds… dan… wie kan dat allemaal nog overzien? Wat betekent dat? Daarover zou ik dus jouw mening willen horen.’

Hij glimlachte.

‘Dus het is de bedoeling dat ik daarover iets vertel. En je wilt mij als voorbeeld? Als praktijkgeval?’

Ze legde het notitieboekje op de tafel en glimlachte.

‘Praktijkgeval klinkt nogal onpersoonlijk. Maar inderdaad, ik hoop dat jij me jouw visie kunt geven op de ontwikkeling van de wetenschap. Als bedrijf, zeg maar, als instituut. En ook in… algemene zin. En aan de andere kant… Hoe dat effect heeft, in de dagelijkse praktijk. Wat dreef jou… Wat motiveert jou? Ik bedoel, in het algemeen, als man van de wetenschap. Wat wil je bereiken? Als mens? Emotioneel? Waarom…’

‘Niet alles tegelijk…’

Ze zette haar bril recht.

‘Nee, nee, natuurlijk niet. Goed. Laten we hier beginnen dan. Ik heb je cv gezien. Veel publicaties, een hele lijst, zag ik. Dat noem ik de buitenkant. Nu de binnenkant. Wacht.’

Ze pakte het boekje weer van tafel en begon opnieuw te bladeren. Hij lepelde een restantje cappuccinoschuim uit de kop en zette de kop terug op de tafel.

Binnenkant, buitenkant. Van mij dan toch. Wat gaat ze nu doen? Gaat me iets laten zien. Vragen. Vertellen. Eén, ik. Twee, de wetenschap. Het wetenschappelijk bedrijf. Als instituut. Maatschappelijk bedrijf. Dat is niet echt iets waar je veel mee bezig bent, Gonda. Je probeert je werk te doen. Goed te doen. Hoe dat in het grote geheel past, daar ben je niet zo mee bezig. Wel interessant om over na te denken. Ze heeft niet echt een idee. Universiteit, activiteiten als hoogleraar, maatschappelijk belang, subsidies.

Ze legde het notitieboekje terug op de tafel.

‘Waarom ging je studeren? Wat trok je aan in de wetenschap?’

‘Is dat niet een beetje ouderwets? Een notitieboekje?’

Ze zette haar bril af, glimlachte en wees met een pootje naar hem.

‘En waarom oceanografie?’

‘Tsja… Omdat ik het interessant vond.’

‘Vond je dat al vroeg? Hoe oud was je, toen je…’

‘Moet ik het hebben over mijn jeugd? Mijn vader? Het ouderlijk huis? Vroege invloeden?’

Ze lachte.

‘Als dat relevant is. Wie weet wat dat verklaart? Of je moeder. Vergeet je moeder niet.’

Ze zette haar bril weer op.

‘Nee, serieus, ik maak maar een grapje, ik bedoel natuurlijk, alleen als je denkt dat het relevant is.’

‘Wat is relevant? Waar zal ik beginnen?’

Beginnen. Wanneer begint iets? Wanneer eindigt iets? Hoe?… Hoe eindigt iets? Andere kant op. Ruime opening. Geeft mij de ruimte. Andere kant op. Wat wil ze weten? Mijn moeder? Context? Haar tweede invalshoek? Motivatie. Beginnen. Jeugd.

Tarifa

African CoastDe Verbeelding

Ik sta aan de rand van het strand en kijk naar de kust van Afrika aan de overzijde. Bergen, heuvels, – de uitlopers van het Rifgebergte. Het begint intussen schemerig te worden. Tegenover mij flonkeren hier en daar lichtjes op: Tanger. Zonlicht schittert nog op het water van de Straat, een eenzame kitesurfer zweeft nog over de golven, aan de waterlijn staat een paartje en maakt foto´s. Rechts van mij, op zo´n honderd meter van de kust, ligt een jacht, met neergehaalde zeilen; de kale mast steekt af tegen de donkere lucht. Er is niemand aan boord te zien.

Hier niet het weidse vergezicht, de glanzende, oneindig schijnende watervlakte van een zee, een oceaan. De nabijheid van de Marokkaanse kust, de opflikkerde lichtjes van Tanger aan de overkant, creëren een intieme sfeer en een gevoel van rust daalt voor het eerst vandaag over mij neer. Ik kan hier nog uren blijven, uren staan kijken, tot de nacht valt.

Dit is het meest zuidelijke puntje van het Europese vasteland. Tanger, aan de overzijde, ligt op slechts een kleine vijftien kilometer afstand. Ik had vage plannen om de stad te bezoeken, maar toen ik deze middag bij de haven aankwam, bleek de veerboot juist vertrokken en zin om het tochtje in de avond te maken heb ik niet. Misschien morgen, maar misschien ook niet.

Links van mij ligt het Isla de las Palomas, een eilandje dat nog net iets verder zuidelijk ligt dan Tarifa zelf. Het is verbonden met de vaste wal door een korte dam en vanmiddag ben ik er over die dam naar toe gewandeld. Maar aan het eind van de dam bevind zich een hek en het eilandje is afgesloten voor het publiek.

Nu ligt het in de schemering, de kleine, antieke vuurtoren is nog zichtbaar boven het donkere silhouet van de lage bebouwing. Licht uitstralen doet hij niet. Ik draai mij om. Achter mij, hoog op een heuveltop, ligt het Castillo de Santa Catalina, een oud fort, afgetekend tegen een gele en donkerrode avondhemel. Ik sta op een rommelig pleintje, een uitstulping in de bocht van de weg, grenzend aan het strand, daarvan nog gescheiden door een smalle strook begroeid met onkruidachtige gewassen.

Het paartje loopt nu hand in hand langs de waterlijn. De eenzame kitesurfer loopt intussen weer op het strand. Er staat maar weinig wind en een kalme branding streelt het strand. Links zie ik een zwerver of een toerist op het strand liggen, in slaaphouding, een gebogen arm onder het hoofd. Hij ligt in het zand, in de beschutting van een muurtje. Hij beweegt niet.

De avondveerboot vaart weg. Het is bijna donker, maar de hemel in het westen boven de Atlantische oceaan is nog fel gekleurd, rode en gele strepen en vlekken in de gaten tussen de laaghangende bewolking.

Ik ben weer alleen, ik voel mij ook alleen en ik kijk weer uit over het water, naar de Afrikaanse kust, de schitterende lichtjes van Tanger aan de overzijde. Het is bijna donker. Ik vraag mij af wat ik zoek en waarom ik hier ben.

*

Misschien zijn de creaties van de verbeelding niet meer dan…

Torvaianica (fragment 2)

 

Vanaf het terras op de Monte Pincio, genoot ik van het uitzicht over de stad. Voor mij, beneden aan de voet van de heuvel, lag het Piazza del Populo in de najaarszon; daarachter tekenden zich de contouren van de stad af en in de verte glansde, hoog oprijzend boven de omringende gebouwen, de koepel van de Sint Pieter onder een blauwe, onbewolkte hemel.

Ik wandelde naar de Villa Borghese en op een bankje, een stuk pizza in mijn hand, een studieboek naast me, dacht ik na over wat we de volgende dagen zouden gaan doen. We zouden wel in musea belanden, Saskia wilde oude Italiaanse meesters zien. Fra Angelico, had ze genoemd, Titiaan, Caravaggio. Ik wilde naar de Villa Doria Pamphili, dat zou ze ook leuk vinden. En samen door de stad slenteren. Langs de Tiber. Zij en ik, in het oude Rome.

Ze scheen intussen geaccepteerd te hebben dat ik nog geen plannen had om terug te keren. Het was inderdaad paradoxaal. Misschien had ze gelijk. Want wat zocht ik? Ik zocht mijzelf. In de wereld buiten mij. Of misschien was het helemaal geen zoeken. Het was een bevestiging. Maar van wat? Of bleef ik bewust maar wat voortdobberen in de wereld, geleid door de grillen van mijn verbeelding? Maar hier was ik dan toch, ik had een besluit genomen, een keuze gemaakt, dit was het concrete gevolg. En dat beviel nog steeds goed.

Het was begin November. Al wekenlang was het mooi weer. Je kon gewoon rondwandelen in je shirt. Die ochtend had ik opnieuw het postkantoor in de Via della Vite bezocht en mijn boek was eindelijk aangekomen. Middeleeuwse Wijsbegeerte. Traditie en vernieuwing. Met een briefje. Ik kom snel! Het papier rook naar parfum.

Intussen had ze het, na alle vertraging, ook gewoon kunnen meenemen; een groot succes was het poste restante-idee niet.

Nadat ik enkele weken, vanwege de kosten, had doorgebracht in een achteraf gelegen hotelletje, een eind buiten het centrum, was ik verhuisd naar een locanda, in het hart van de stad, niet al te ver van de universiteit. Acht man op een slaapzaal. Ik had wandelingen gemaakt met een Canadees, die een maand door Europa toerde en een week in Rome verbleef. En ik had in de bus een Italiaanse student ontmoet die elke dag dezelfde rit naar het centrum maakte als ik. Hij leerde me Italiaanse uitdrukkingen, nuttig en soms niet. Op zijn aanraden, had ik een toegangskaart aangeschaft voor de Biblioteca Nazionale, waar je prettig kon studeren. We dronken er af en toe samen cafè freddo in de kantine. Ik had er die ochtend alvast wat gelezen in het boek, over Aquinas, Anselmus en Abelard en ik kwam er al wekenlang elke dag en bestudeerde mijn dictaten over getaltheorie en logica.

Ik was min of meer gesetteld, vond ik. Rome had ik niet meer verlaten.

Het was bijna twee uur – tijd om naar het station Termini te wandelen, waar de trein uit het Noorden zou aankomen. Met Saskia. We hadden de vorige dag nog even gebeld. Alles was geregeld, alles was in orde. Ja, ze zou dat andere dictaat ook nog meenemen.

En toen ze aangekomen was, waren we blij. We wandelden langs de Tiber, in de namiddagzon, langs het Castel Sant’Angelo, langs het Isola Tiberina, helemaal naar het Circus Maximus en toen weer terug naar Trastevere, aan de andere oever van de Tiber, waar we ’s avonds we uit eten gingen, in een trattoria. We dronken witte wijn op het terrasje. Ze had me gemist, zei ze. Ik had haar ook gemist, zei ik. Een orkestje speelde zacht muziek.

In de hotelkamer, die ik voor een week gehuurd had, bedreven we de liefde. En daarna luisterden we urenlang naar de geluiden uit de stad en spraken we zacht over van alles en nog wat. Ze vertelde wat ze allemaal gedaan had, de afgelopen weken. Ik vertelde waar ik allemaal geweest was, wat ik allemaal gezien had en ik luisterde naar haar verhalen, over haar studie, een lastig tentamen, een anekdote over een feestje met haar vriendinnen. Die nacht sliepen we pas laat in.

We bezochten alle musea waar werk van Fra Angelico, Titiaan en Caravaggio te zien was. En we wandelden door de stad, urenlang. Het bleef prachtig weer. De voorlaatste dag gingen we voor de zoveelste keer naar de Villa Borghese, bezochten voor de tweede keer de Galleria en we aten geroosterde kastanjes op een bankje in het park. Later wandelden we naar de villa Doria Pamphili, waar we de rest van de middag door het park slenterden. Daar begon ze te vragen wat ik nu verder van plan was. Ik zei dat ik het niet precies wist. Dat Rome me nog steeds goed beviel. De locanda, waar ik de volgende week waarschijnlijk weer zou terugkeren, was niet duur, de zon scheen de hele dag, de aantekeningen in mijn dagboek breidden zich sterk uit. Ze scheen zich er bij neer te leggen.

’s Avonds, op de hotelkamer, bespraken we wat we de volgende dag zouden gaan doen. Ik zei dat ik graag met haar naar de kust wilde, de drukte van de stad even verlaten, niet naar Ostia, waar het te toeristisch was, maar een eindje verder naar het Zuiden, niet te ver, een of ander klein plaatsje aan zee, waar niemand ooit heen ging. Ze vond het een goed plan, zei ze. Buiten, ergens uit een van de huizen aan de binnenplaats, klonk zachte muziek, een vrouwenstem.

…sempre di più
e tu e tu amore…

 

Lees een derde fragment hier: Torvaianica (fragment 3)

Kalenberger Riet – Fictie: Fragmenten (5)

 

 (1)

Dit is een vlucht en ik weet het. Een zacht hinderlijk stemmetje op de achtergrond: je loopt weg Liesbeth, je vlucht… Zacht, maar indringend en venijnig.  Waarvoor? Niet voor George. Niet voor zijn absurde eisen, zijn sarcasme, zijn voortdurende streven naar dominantie en controle. Niet voor zijn verbale superioriteit, zijn tirades, zijn monologen. Niet voor de ruzies, de moeilijkhe­den, de problemen,- nee daar­voor niet. Waarvoor? Niet voor Irina. Niet voor haar zelfverzekerdheid, haar onbekommerde keuzes, haar totale zelfacceptatie. Niet voor haar pogingen mij over te halen, mij te bekeren, mijn leven te veranderen. Niet voor al haar onuitgesproken maar dringende verzoeken.

En hier ben ik dan toch? Je kunt kiezen. Klaar voor een gesprek. Klaar, hoewel ik nog niet eens weet wat ik ga zeggen of doen. Maar het was mijn voorstel, al weet ik nu niet meer precies wat mij ertoe aanzette.

Maar dit is toch een vlucht en ik moet het onder ogen zien. Luister naar die stem. Luister… Maar ik hoor zoveel stemmen.

Wat ga ik doen? Ik moet nadenken. Ik moet rationeel zijn, logisch, verstandig. Ik moet alles overzien, de mogelijkheden, de consequenties. Nadenken: wat ik ga zeggen, wat ik ga doen.

Ze keek opnieuw in de achteruitkijkspiegel. Al sinds ze de snelweg had verlaten, tien minuten eerder, reed dezelfde zwarte auto achter haar, op een afstand van hoogstens tien meter. Vóór haar kronkelde de weg zich tussen weilanden en rietvelden door, tot aan de horizon; er was geen ander verkeer te zien.

Het was een zondagmiddag in het begin van december. Een bleke zon verscheen af en toe vanachter de laaghangende bewolking; de temperatuur moest rond het vriespunt zijn. Waarom heb ik geen winterkleren aangetrokken? Gedachteloos, dat was het, impulsief en gehaast. Ze herinnerde zich zelfs niet dat ze weggereden was, of ze de garagedeuren gesloten had, hoe ze de stad was uitgereden. Ze gaf meer gas; maar de auto bleef op dezelfde afstand achter haar hangen; het was ergerlijk. Er zaten twee mensen in, bejaarden zo te zien, die waarschijnlijk een ritje door de omgeving maakten. Waarom passeren ze me niet? Ik wil geen mensen zien.

Ze nam gas terug, ze reed nu precies vijftig kilometer per uur; de auto bleef achter haar hangen. Ze overwoog te stoppen, maar de berm was zacht en smal en de weg lag op een dijk zonder uitwijkruimte. Ze vloekte hardop en nam nog meer gas terug. Onmiddellijk nam de snelheid van de auto achter haar ook af; de koplam­pen flitsten op; nu passeerde hij haar.

Achter het stuur, zeer dicht erop, een kleine, bejaarde man; op de plaats naast hem een oude, grijze vrouw; beiden keken haar in het voorbijgaan aan; de vrouw schudde vermanend met een wijsvin­ger. Liesbeth was opeens doodmoe. De auto verdween nu snel; af en toe zag ze hem nog, in de verte, tussen de bomen.

Ze stond stil. De motor ronkte. Ze leunde voorover tot haar hoofd het stuur raakte. Uitgeput. Wat moet ik doen? Wegkruipen, afstand nemen, alles achter me laten.

Schemerlicht… Verduisterde kamer. Boekenplankjes. Wit flanel, roze wol, gestikt zwart biesje. Gekreukte kussens. Schemerlicht… Zacht donkerrood licht….

Ze gaf gas en reed langzaam verder. Het was misschien beter om ergens langs de weg te stoppen, ja, ze wilde stoppen, uitrusten, slapen.

Nadenken… Wat doet George? Nu komt hij ongeveer thuis. Achterlijke sport. Daarover ook altijd ruzie. Coach bij sollicitaties naar hersenletsel. Past wel bij je! Beroepshalve zou ik… Gezeur. Ik had een briefje moeten neerleg­gen. Hij zal ongerust zijn. Weet niet waar ik ben. Moet hij maar accepteren. Op een dag zal hij helemaal niet meer weten waar ik ben. Weet nu al niet wie ik ben. Intellectuele autist. Meegaan om hem te ontmoeten. Maar hij kijkt je wel aan. Weet niets, ziet niets, vermoedt niets. Drie kleine apen. Een aapje wil ik niet, George! Aan mijn lijf geen polonaise… Hoofdpijn, te vaak hoofdpijn. Wat moet ik doen? Dit is geen denken.

Een kleine honderd meter verderop zag ze een kruising; links een fietspad, smal, recht, nieuw. Het scheen langs een liniaal door het landschap getrokken. Rechts een beklinkerde weg; aan het eind, een kleine kilometer verder, huizen, een kerktoren. Tegen een boom op de hoek stond een bundel riet. De weg waarop ze nu nog reed slinger­de zich verder door het landschap, in noordelijke richting. Onafzienbare velden, rietland, weiland. Daarachter, in het noorden, moest het echte rietland liggen, woeste grond, waterplassen. Opeens voelde ze toch de behoefte mensen te zien. Deze sombere zondag­middag, mijn stemming, van mij af schudden. Ze sloeg rechtsaf. Ik heb geen doel in mijn leven. Ik heb houvast nodig, een simpele structuur, een alledaagse werkelijkheid.

Een paar honderd meter verder lag een kleine rotonde. Links een bestraat plein, een parkeerplaats, rechts, iets naar achteren een kerkplein; erachter de kerk. De weg zelf versmalde tot een straatje dat tussen de huizen verdween. Ze herinnerde zich alles precies. Het is alsof ik vanzelf opnieuw op deze plek ben beland.

Ze parkeerde vlak voor de eerste huizen, sloot de auto af en wandelde het straatje tussen de huizen in.

Nu niet denken. Natuurlijk heb ik een doel,- eenvoudig, concreet en direct. Nu wel. Concentreer je daarop.

De oude panden waren gerestaureerd; naast haar bevond zich een antiekwinkel, aan de overzijde een drogist, een postkantoor. Alles was gesloten. Het was stil; er waren geen mensen te zien. Het straatje maakte een bocht; ze wandelde een oud, houten bruggetje over en zag een opening tussen de huizen. Even verderop was een sluis; ernaast bevond zich een café; ze zag twee mannen achter het raam, half verscholen achter verkleurde vitrages. Achter de eerste sluisdeuren, tien meter verder, bevonden zich nog twee sluisdeuren; daarachter lag een kleine, komvormige haven.

Ze liep naar het eerste paar sluisdeuren, stak voorzichtig over en wandelde verder langs de havenkolk. Er lagen twee schepen afgemeerd aan een lange steiger, midden in de haven. Kotters. Schepen, boten,- ik weet er niets van. Visserij, eerlijk ongecompliceerd werk. Hier kwamen ze, van de Zuiderzee. Ik zou een vissersvrouw kunnen zijn.

Felle kleuren. Houten banken, schotels met garnalen, visnetten, schuimkoppen op de golven.

Waddenzee, jaren zestig. Escapisme. Mijn ouders, aan boord van een kotter, lachend, etend. Pas getrouwd. Escapisme. Niet weglopen. Kiezen, beslissen.

Aan de linkerzijde zag ze een tiental kleine houten steigers, waaraan in de zomer waarschijnlijk de plezierjachten afgemeerd lagen. De huizen rond de haven waren oud. Aan de overkant, in het midden, een lichtgeel gesausd pand, een voormalig stadhuis scheen het. Vierkant en stevig stond het er, vrij van de gerestaureerde koopmanshuizen aan weerszij­den.

Ze hoorde een kerkklok drie keer slaan.

Een half uur de tijd om te bedenken wat ik moet zeggen. Wat ik moet doen. Wat ik ga zeggen dat ik ga doen.

Wat is het probleem? Kiezen. Ik moet kiezen. Twee mogelijkheden. Irina of  George. Of is het George of niet George?  Of Irina of niet Irina? De consequenties… Die moet ik onderzoeken. Nadenken… Waarom? Ik wil het niet.

Ze bleef staan en liet haar blik rond de haven gaan. Ik wil niet denken. Ik wil niets voelen. Niet nu.

Rechtop, handen op de rug, ontspannen,- zelfgenoegzaam. Lachje. Smalle, rechte schouders, rechte rug. Grijs pak. Streepjesdas. Gladgeschoren, brede, lachende mond. Kuiltje. Draait zich half om.

Niet weglopen. Niet weglopen voor problemen. Verantwoordelijk­heid. Papa. Een sterk en zelfbewust iemand neemt verant­woordelijkheid voor zijn handelen. Laat los, laat gaan. Uit de band springen. Geen regels. Moraal is emotie. Moraal is contro­le. Laat los, laat gaan. Waarom. Ik doe wat ik wil. Ik kan doen wat ik wil. Vrij en onafhankelijk zijn.

Mantel­pakje, hoge hakken. Spijkerbroek, wollen trui. Witte bloes. Tatoeage op de heup. Klein slangetje, rood, zwart, blauw. Mantelpakje. Blond haar tot op de schouders. Recht afgeknipt. Blauwe ogen, schitterend. Draait zich half om.

Losjes, ontspannen, zelfverzekerd. Geen burgertrut. Ik ben sterk. ik doe wat ik wil. Ik kan doen wat ik wil. Ik heb niemand nodig. Neem je verantwoorde­lijkheid. Tegenover mijzelf. Liesbeth, ik heb altijd vertrouwen in je gehad. Speelt in op plichtsgevoel. Speelt in op braaf­heid. Emotionele chanta­ge. Ik wil… ik wil…

Ze keek opnieuw om zich heen. De zon was weer achter de wolken verscholen; gouden randen; zacht grijs en geel licht. Enkele meters verderop stond een houten bank; ze liep er heen en ging zitten.

Zomerdag. Wandelen langs de haven. Zitten in een cafétje, wijn drinken. Aangeschoten na een paar glazen. Slappe lach. Handen verstrengeld onder de tafel. Cafébaas, echte plattelander. Mogen wij nog twee wijn? Deze wijn smaakt prima…Beetje zuur… Van azijn naar bizijn. Slappe lach. Nors: Stadswichten. Grapje. Acteur. Slappe lach. En dan naar buiten, de frisse lucht in! De paden op, de lanen in! Gezonde Hollandse jongens, ja, ja. Over een smalle dijk. Grazende paarden; en dan over een kronkelend paadje door het riet. Kalenberger riet. Al die vogels. Een reiger zagen we, een visdiefje, eenden. Overal ondiep water en riet.  Turfstekers. Eenvoudig.  Hand in hand. Lachend, blij, gelukkig. Dat was het moment, daar in dat rietland, tussen de plassen. Zij was zo blij, ik zag het. Straalde. Zong. Voor een kwartje in het riet! Mooie griet. Slappe lach. Ja, gewoon weg, een onbekend pad af, zwerven zonder zorgen, gelukkig… Alles achter ons laten, alles vergeten… Grapjes. George… Heeft hij niet? Is hij niet ook een beetje? Georgia here I go! Georgica… Brooddronken. En dan opeens stoppen met lachen. Dichtbij, liggend in een weiland. Zachte, zoete geur. Het doordringende gezang van een karekiet, vlakbij, ergens verborgen in het riet.

 

Veronderstellingen – Fictie: Fragmenten (4)

 

Op het Rokin, bij het Muntplein, stapte ze uit; ik wachtte zo lang mogelijk en op het allerlaatste moment, toen de deuren al begonnen te sluiten, verliet ook ik de tram, in een roekeloze, snelle sprong.

Ze wandelde de Kalverstraat in – ik had niets anders verwacht. Ik ging dichter achter haar lopen om haar in de drukte niet uit het oog te verliezen. Voortdurend moest ik goed opletten waar ze zich bevond; af en toe botste ik tegen iemand aan en één keer trapte ik op de hak van een vrouw, wat haar een kreet van pijn ontlokte. Haar begeleider voegde mij een scheldwoord toe. Ik liet me echter niet afleiden.

Ik bedacht hoe verbazingwekkend het is dat mensen zo zelden achterom kijken als ze door de stad lopen. Ze zouden hun fysieke beperkingen moeten compenseren door regelmatig het hoofd te draaien, maar in plaats daarvan, misleid door een onbewust gevoel van veiligheid, sjokken ze maar voort, met een gezichtsveld van hoogstens negentig graden – een misvormde kegel, ontstaan uit aangeboren oogkleppen.

Mijn inspanningen deden me de minder prettige gevoelens over mijn activiteiten geheel vergeten. Mijn omgeving vernauwde zich tot een helder spoor: de rechte lijn tussen mij en haar. Juist besefte ik dat we de Heiligeweg waren in­geslagen, toen ze aan de rechterkant van de straat in een winkel verdween. Ik liep nog enkele meters door en bleef staan voor de etalage van een opticien, aan de overzijde van de straat. In de etalageruit probeerde ik de winkel waarin ze was verdwenen terug te vinden, maar dat lukte niet. Haastig wierp ik een blik over mijn schouder: ik was er bijna zeker van dat ze de modezaak schuin tegen­over me was binnengegaan, maar ik kon me vergissen. Er was een kleine kans dat ze de zaak ernaast gekozen had: een koffieshop. Maar dat leek me erg on­waarschijnlijk. Ik hield beide ingangen in de gaten; af en toe nam ik een nieuwe pose aan die me leek te passen bij een geïnteresseerde brillenzoeker.

Mijn impulsieve gedrag verbaasde en irriteerde me. Gedachteloos had ik de eerste dominosteen omgegooid; nu was er een keten van reacties ontstaan. Ik wilde de controle over de gebeurtenissen weer verkrijgen.

Ik had een vrije middag genomen om haar te verrassen. Met een grote bos gele tulpen in de hand en een reeks erotische fantasieën in het hoofd, ging ik op weg om haar te bezoeken. Maar op het Valeriusplein zag ik haar onverwacht in de verte aankomen en voor ik besefte wat ik deed, was ik in een portiek ge­stapt en had haar laten passeren. Ik dacht niet na. In de Valeriusstraat was ze in lijn zestien gestapt, voorin bij de bestuurder. En ik achterin. Toen realiseerde ik me dat het te laat was voor onverwachte omhelzingen en geïmproviseerde verwijzingen naar een grap. Ik begon me af te vragen waar ze heenging en het zweet brak me uit toen ik me voorstelde wat ze zou zeggen als ze me ontdekte. Maar ze keek niet op of om.

Als vanzelf begon ik bepaalde gebeurtenissen die de afgelopen week hadden plaatsgevonden te rangschikken en mijn verbeelding creëerde de onverbiddelijke conclusie: Michael. Merkwaardig genoeg riep dit niet meteen emotionele reac­ties bij me op. Ik ontwierp een plan. De bloemen liet ik in de tram liggen.

Op de bodem van de etalage lag een – ogenschijnlijk willekeurig neergeworpen  – verzameling kartonnen blokken waarop allerlei brilmonturen, in dezelfde ogenschijnlijke nonchalance, waren uitgestald: een collectie banale modellen, maar ook imponerende, donkere, hoornen monturen waarin de grote, vierkante glazen gesprekspartners van de toekomstige drager ernstig zouden verontrusten; studentenbrillen ook, met monturen die van ijzerdraad gevouwen leken; en in een hoek lag een groot, roze model in de vorm van een vlinderprotheses voor de modebewuste invalide. In een andere hoek stonden enkele verrekijkers; kleine kaartjes van karton vermeldden nuchter de feiten omtrent de objecten: 50 mm objectief, centrale scherpstelling, blikveld 96 meter op een kilometer af­stand. En een absurde prijs.

Mijn verbeelding begon te werken: ik zag mijzelf als een figuur in een tekenfilm door de stad sluipen: op de punten van mijn tenen, met opgetrokken schouders, een kijker voor de ogen. Ik lachte hardop maar schrok daar zelf van – ik moest me niet laten afleiden. Vlug wierp ik weer een blik over mijn schouder: was ze nog binnen? Ik keek de Heiligeweg af en liet mijn blik over het Koningsplein dwalen. Een schok ging door me heen toen ik de paarse mantel aan het begin van de Leidsestraat zag. Haastig begon ik te lopen.

Het interesseerde me bijzonder weinig of mijn handelingen moreel verantwoord waren: ik was verliefd – op mijn eigen vermoedens. En vooral op het idee mijn gelijk aan te tonen. Een egoïst, inderdaad, met maar één doel: het onverbiddelijke bewijs.

Ik liep het begin van de Leidsestraat in, dichter achter haar weer. Ik vroeg me af of ze misschien met hem in het American Hotel had afgesproken. Hoe vaak had ik daar niet met haar gezeten! Ik bespeurde bij mijzelf een vreemde com­binatie van woede en triomf.

Ik stak de Keizersgracht over en bedacht dat elke gracht die we passeerden de waarschijnlijkheid van mijn veronderstellingen deed toenemen. Controlepunten. Opeens kwam het in me op dat ze ook naar Liliane zou kunnen gaan. Dan zou ze bij de Prinsengracht afslaan. Dat zou me spijten.

Ze sloeg niet af. Ik haalde opgelucht adem. Alles was weer onder controle. Waren er nog andere mogelijkheden? In gedachten ging ik één voor één haar kennissen af. En een voor een streepte ik de mogelijkheden door. Ik was nu zo zeker van mijn zaak, dat ik besloot een kleine omweg te maken. Een kleine sluiproute. Ik liep de Lange Leidsedwarsstraat in; als een snelwandelaar door de Leidsekruisstraat; in toenemende ongerustheid door het Klein Hartmanplantsoen. Onzekerheid beving me en ik begon te rennen. Wat als ik me toch vergiste? Zwetend en hijgend rende ik verder. Ik sprintte langs de rij wachtende taxi’s… en bleef abrupt stilstaan.  Daar liep ze, over het Leidseplein, zo te zien ontspannen, maar met een duidelijk doel voor ogen. Ze liet het American Hotel rechts liggen en verdween een moment uit mijn gezichtsveld.

Ik baande me haastig een weg door een rij passagiers die bezig waren zich in een tram te wringen en keek ongerust om me heen. Het scheen me toe dat ze ergens was binnengegaan, een gebouw waarvan ik geloofde, dat het misschien het Lido was. Was daar niet een casino? Wat moest ze daar? Ik ging op een bankje op het Leidseplein zitten, onder een boom, en ik vroeg me af of Michael zich in het casino zou bevinden. Mijn intuïtie vertelde me dat dat heel onwaarschijnlijk was. En mijn intuïtie zou me niet bedriegen. Waarschijnlijk was er een café in het gebouw waar ze hadden afgesproken. En op een gegeven moment zouden ze weer naar buiten komen – dat was mijn moment. Maar het zou wel even kunnen gaan duren… Ik voelde me echter oneindig geduldig.

Een jachthond die het spoor dat hij heeft gevonden niet meer loslaat. Een bloedhond.

Ik zag Michaels gezicht voor me: dat lijkbleke vel, dat zelfgenoegzame snorretje, die dode vissenogen. Ik vroeg me af of ik geweld zou durven  gebruiken. Het ergerde me dat ik niet echt zeker wist of hij wel daar binnen was. Mijn ge­dachten dwaalden af. Ik begon te fantaseren. Lichaamsloos te zijn, als een on­zichtbare geest boven haar te zweven: alles te zien en op het juiste moment te incarneren. De geest uit de fles… Opnieuw flitste een beeld voorbij: hoe ik mijn vuist in zijn gelaat plantte. Het verschrompelde als een geplette bes. Het zweet brak me uit.

Marokkaanse Sprong – Fictie: Fragmenten (3)

 

Zoals zo vaak belde hij onverwacht op dat hij ons zou bezoeken. Wij dachten dat hij nog op reis was, in Algerije of Marokko, maar nu bleek dat hij die middag al was teruggekomen, een week eerder dan gepland. Wij waren er wel aan gewend dat hij zijn plannen veranderde; je wist ook nooit van tevoren of hij ze echt zou uitvoeren of dat hij ze opeens, om geheimzinnige redenen, zou vervangen door andere. Ik vond zijn onvoorspelbaarheid opwindend: soms was hij opeens een weekeinde verdwenen en dan hoorden we later dat hij naar Berlijn was geweest, of naar Boedapest of Praag.

Dikwijls verscheen hij ook onaangekondigd; dan stond hij tijdens het avondeten plotseling, als op magische wijze gematerialiseerd, voor de achterdeur, klopte hard op het raam en kwam met veel rumoer binnen, waarna hij een extra stoel aan tafel schoof en zich de maaltijd goed liet smaken. Intussen sprak hij met luide stem, bijna onafgebroken, over nieuwe modieuze kleding die hij had aangeschaft of over zijn reizen en soms over zijn jaren in Duitsland, tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het was vrijdagavond halftien en mijn moeder had al eenmaal gezegd dat ik naar bed moest. Maar ik bleef zolang mogelijk zitten, met mijn boek, op de stoel in de hoek naast het raam. Ik had mij voorgenomen, als ik dan uiteindelijk echt naar bed moest, nog stiekem wat te lezen met de zaklantaarn onder de deken totdat ik wist hoe het verder zou gaan met de held.

(…)

Toen de telefoon ging keek ik op uit mijn boek. Mijn vader, die voor de televisie zat en naar een sportprogramma keek, wierp een verbaasde blik op mijn moeder. Zij legde het tijdschrift neer waarin ze had zitten lezen, keek op de klok en stond op om de telefoon aan te nemen.

Ik keek naar mijn moeder. Met een glimlach op haar gezicht hield ze de hoorn tegen haar oor en luisterde. Toen ik naar mijn vader keek, zag ik aan zijn gezicht dat hij, zonder dat mijn moeder het gezegd had, wist wie er aan de telefoon was; op zijn gezicht verscheen een beginnende lach – totdat hij merkte dat ik naar hem keek. Toen keek hij opeens streng en haalde zijn schouders op. Ik begreep dat het oom Gerard was. Ik sloeg mijn boek dicht en wachtte opgewonden tot mijn moeder de hoorn op de haak legde.

Hij was het inderdaad; en hij zou binnen een kwartier bij ons zijn, vertelde mijn moeder; ook zou hij een gast mee brengen, een vriend uit Marokko.

Mijn vader zei, enigszins ontstemd:

‘Kan hij niet op christelijke tijden langskomen?’

‘Hij bélt tenminste eerst,’ zei mijn moeder en lachte. Ze zei dat het nog niet zo laat was en dat je van een avonturier niets anders kon verwachten.

‘Een avonturier?’ zei mijn vader wrevelig. Maar hij schakelde de televisie uit. Hij stond op, schoof zijn pantoffels uit en zette die op de radiator van de verwarming. Daarna trok hij zuchtend zijn schoenen aan. Mijn moeder ging naar de keuken om thee te zetten. Ik liep naar het raam en bleef daar staan wachten tot mijn oom en zijn Marokkaanse vriend zouden aankomen.

Met een half oor luisterde ik naar het gemopper van mijn vader. Aan de reactie van mijn moeder merkte ik dat zij het wel leuk vond en ik wist dat mijn vader er eigenlijk ook zo over dacht. Ik voelde iets kriebelen in mijn maag: oom Gerard was in mijn ogen het meest interessante familielid dat ik had. De anderen waren allemaal heel gewoon. Er gebeurde bij ons nooit iets dat echt gek of opwindend was; maar wanneer oom Gerard langs kwam was alles ineens anders.

Hoewel hij een eerzaam en doodgewoon baantje als lokettist op het postkantoor had, in een dorp enkele kilometers buiten onze stad, was hij in mijn ogen wel degelijk een echte avonturier: want hij maakte reizen naar landen waar mijn ouders nog nooit geweest waren en waar ze ook wel nooit zouden komen,- in Europa maar ook in Afrika en Azië; en hij vertelde interessante verhalen over zijn reizen. Ik hoopte altijd dat ik een keer mee zou kunnen gaan. Ik wist dat hij dat op een dag zou voorstellen.

Mijn vader had mij verteld dat zijn naam eigenlijk Gerhard was, maar wij noemden hem Gerard. Hij was de halfbroer van mijn vader, een paar jaar ouder, een zoon van mijn grootvader en  zijn eerste vrouw. In de oorlog had hij als dwangarbeider in Duitsland gewerkt, in een bakkerij in Bremen en later op een duikbotenbasis in Hamburg. Hij had mij er vaak over verteld. Hij kon heel goed vertellen, vond ik, bijna net zo goed als mijn vader.

Soms waren er luchtaanvallen door de geallieerden. Dan gingen de sirenes en moest het personeel dekking zoeken in de kel­ders. Zelf had hij een keer een soort voorgevoel gehad; en hoewel de sirenes voor het luchtalarm nog niet geklonken hadden, wist hij zeker dat er een aanval ging plaats­vinden. Verschei­dene malen had hij verteld hoe hij erin geslaagd was om ieder­een toch de kelders in te krijgen; en toen was er inderdaad een bom op het terrein van de basis gevallen.

Soms wist hij ook al dat er niet echt iets zou gebeuren; en dan werkte hij gewoon door wanneer ze de bunker in moesten. Een andere keer was er een bom gevallen, terwijl hij niet in de bunker was; hij was ongedeerd gebleven en toen hij in de bunker ging kijken, zag hij alleen doden: alle mensen hadden ingeklapte longen. Ik vond het een griezelig verhaal; en ik vroeg mij af of hij toen ook een voorgevoel had gehad.

‘De Arbeitseinsatz,’ zei hij soms, ‘heeft voor mij uiteindelijk ook positieve gevolgen gehad.’ De effecten ervan bleven zijn hele leven lang zichtbaar; trauma’s scheen hij echter niet te hebben. Hij sprak heel goed Duits, zoals hij ons zelf verzekerde en hij had het nog vaak over actrices en zangeressen uit die tijd: Marita Rökk, Marlene Dietrich, Zarah Leander. Trots kon hij vertellen hoe hij de laatste ontmoet had, in Hannover, na een urenlange wacht bij een artiestenuitgang. Hij had haar een snel gemaakte schets gegeven van de kleding die zij die avond tijdens haar optreden gedragen had en ze had gezegd: ‘Du hast sehr viel Talent zum Zeichnen.’

Hij was toen net twintig. Zijn tekentalent, zei mijn vader, was een natuurlijke gave; in enkele snelle schetsen kon hij modieuze kleding die hij gezien had weergeven; mijn vader vond dat hij zijn roeping was misgelopen.

Alle beroemde films uit de oorlogsdagen had hij gezien. Ook bezat hij een grote collectie platen en banden met muziek uit de jaren dertig en veertig. Mij had hij de complete tekst van Lili Marlene geleerd. Intussen sprak hij, naast Duits, ook andere talen: Frans en Engels en zelfs een beetje Arabisch. Hij vertoonde zich graag goed gekleed en ging naar films waar mijn ouders nooit van gehoord hadden.

Hij was vrijgezel en woonde in een tuinhuis achter op het erf van vrienden in het dorp. Daar bevon­den zich allerlei interessante voorwerpen die hij had meege­bracht van zijn reizen: een enorme waterpijp, afkomstig uit Turkije; vergulde, blinkend gepoetste en fijn bewerkte ser­veerbladen uit Tunesië; een anderhalve meter hoge bronzen kandelaar uit Egypte.

De zijkamer was verbouwd tot een grote volière, waarin zebravinken, tijgervinken en andere tropi­sche zangvogels een paradijsje toegewezen hadden gekregen. Dudley, een oude bokser met een merkwaardige vuilgele kleur, hield hem gezelschap. Hij bezat een verzameling van honderden videobanden met operettes, musicals en films die hij had opgenomen van Duitse zenders. Soms belde hij ’s avonds laat nog op met de mededeling dat er een heel bijzondere film te zien was, waar wij absoluut naar moesten kijken, – een suikerzoet melodrama meestal, waarin ons onbekende grootheden uit de jaren dertig of veertig hun op­wachting maakten; niet bepaald naar onze smaak, maar mijn ouders keken er uit beleefdheid altijd naar. Niet in het minst ook omdat hij later altijd informeerde wat ons oordeel was, waarbij hij met mijn moeder sprak over de details van de kleding van de heldinnen en soms nieuwe verhalen ver­telde over zijn tijd tijdens de Arbeitseinsatz in Duitsland. Mijn vader vond de films belachelijk, wat hij niet verborgen hield, maar tot oom Gerard scheen dat nauwelijks door te dringen: zijn enthousiasme was onstuitbaar.

Hij verenigde merkwaardige eigenschappen in zich: was hij enerzijds de avonturier van de familie die verre reizen maakte en vreemde, exotische vrienden had, – anderzijds bezat hij bepaalde vrouwelijke interesses die vooral tot uiting kwamen in de lange gesprekken die hij voerde met de vrouwen in onze familie, over kleding en de koopjes die hij op dat gebied gedaan had. Hij kocht altijd twee exemplaren van voordelige modellen en kon in dat opzicht geen maat houden. Regelmatig gaf hij ons kleding die bij nader inzien toch niet aan zijn smaak voldeed; maar de bewerkte brogues, de felgele blazers en violette overhemden die hij meebracht waren niet naar de smaak van mijn vader. Hij droeg ze nooit, maar dat scheen oom Gerard niet op te vallen.

Graag vertelde hij over zijn gesprekken met verko­pers in herenmodezaken, – goede vrienden van hem als we hem mochten geloven en mijn moeder had ooit eens geopperd dat hij misschien wel homo was. We hadden hem in ieder geval nog nooit samen met een vrouw gezien, afgezien van de vrouwelijke familieleden waarmee hij ging winkelen. Maar mijn vader was boos geworden en wilde er niets van horen. In Duitsland had Gerard vele vriendinnen gehad, zoveel was zeker. Mijn moeder had haar schouders opgehaald; zij nam oom Gerard zoals hij was, inclusief zijn eigenaardigheden.

Ik vond het altijd heel spannend en een beetje vreemd als hij, op verjaardagen bijvoorbeeld, familieleden van mijn moeder ontmoette: vriendelijke lieden, afkomstig uit een heel ander milieu, waarin het meest spannende dat ooit gebeurd was, had plaatsgevonden in de oorlog, waarin ze, in een zelfgegraven kelder achter op het land, enige onderduikers een geheime schuilplaats hadden verstrekt. Ik zag hoe mijn tantes net zo op oom Gerard reageerden als mijn moeder: met sympathie en interesse, terwijl de mannen enigszins sceptisch, hoewel niet onvriendelijk, hem benaderden zoals mijn vader: met een licht ironische glimlach, terwijl ze, op een indirecte manier, probeerden te weten te komen of hij wel net zoals zij was.

Maar ik wilde zelf verre en exotische reizen gaan maken, net als oom Gerard; en ik fantaseerde dat hij mij, voordat het zover was, een keer zou meenemen – naar Duitsland, Oostenrijk of zelfs Egypte of Marokko.

Een kwartier later stopte er een taxi voor onze deur. De chauffeur, een lange, magere man in een verkreukeld, grijs pak, sprong uit de auto, liep er snel omheen en opende de achterdeur aan de trottoirzijde. Daar ver­scheen oom Gerard; ik drukte mijn neus tegen het raam. Gekleed in een licht zomerkostuum, een cognackleurig overhemd en voor­zien van een wandelstok waarmee ik hem nooit eerder had ge­zien, gebruind, met een grijns die zijn witte tanden ontblootte, stond hij op de stoep, zijn schouders een beetje gebogen. Achter hem ver­scheen een man met een bruine huidskleur en kort geknipt, glimmend, zwart haar, gekleed in een donker, bijna zwart pak.